Damascus

En het geschiedde, toen hij Damascus naderde, dat een plotseling licht uit de hemel hem omstraalde en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?” En hij zei: “Wie bent U, heer?” En de stem sprak: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat u moet doen”.

Handelingen 9, vers 3.

Als u dit leest ben ik alweer een poosje terug uit Damascus, nog voordat Assad verdreven werd door de huidige machthebber. Een andere tijd.
Saulus, die Paulus ging heten en een ander mens werd na die reis. Dan komt de vraag onwillekeurig op, of ik ook als iemand anders zal terugkeren. Niet dat ik ontevreden ben met mezelf, maar soms denkt een mens wel eens, wat huist er nog meer in me waar ik geen weet van heb. Jezelf in een vreemde omgeving neerzetten helpt die ontdekking goed op gang. Dus vooruit de poorten van Damascus door…

Ik ga daar mijn geleerde broer opzoeken, kunstschilder én archeoloog, die in de hoofdstad van Syrië een schilderijententoonstelling heeft. Mijn broer is bovendien reisleider van groepen toeristen die het land tussen de Eufraat en de Tigris bezoeken. Dat doen ze meestal vanuit een gelovige achtergrond en het is in die groep niet toegestaan om het over Israël te hebben, want dat wordt immers steevast ruzie, hoorde ik van hem. Tijdens de reis zullen die meestal wat oudere mensen veel stoffige gebouwen en kunstvoorwerpen te zien krijgen, stel ik me zo voor. Als niet deelnemer aan deze activiteit, hoop ik nog ménsen tegen te komen en wat Syrische gerechten te ontdekken. Gelukkig is mijn schoonzusje -een bourgondisch type- ook van de partij. Met haar kun je heerlijk pimpelen en over lekker eten kletsen buiten alle ervaringen van die groep om.

Maar een magisch moment zal zijn, als ik net als Paulus door de Straat-die-de-Rechte-heet loopt. Van alle bijbelvertellingen thuis is die straatnaam mij altijd bijgebleven.
In het Engels: Street-Called-Straight. In het Frans: Rue-Dite-Droite. Ze loopt dwars door de oude stad en verbindt de moslimwijk met de christelijke wijk van Damascus. In de laatste wijk is de Kapel van Ananias te vinden. Hij was het die door handoplegging ene Saul van Tarsus van zijn blindheid door het felle licht genas.

Omdat het Nederlandse instituut waar ik logeerde zich vlakbij de kapel bevindt, had ik het gevoel alsof ik alle dagen rondliep in een bijbels decor vol spannende gebeurtenissen.
Neem het verhaal waarin Saul door medestanders in een mand over de stadsmuur werd gezet. Op die muur zijn overhellende woningen gebouwd, hij moest vluchten voor boze Joden nadat hij in de synagoge een afwijkende leer verkondigd had. What’s new, zou je willen zeggen. Op die plek staat nu dus een kapel en het is goed voor te stellen hoe dat ooit in zijn werk is gegaan. Want boven op die stadsmuur staan nog altijd woningen, sommige overhellend zoals op de plaatjes in de goede-oude-trouwe kinderbijbel van thuis.

Dit alles doet me beseffen hoe pril onze jaartelling feitelijk is. Wat is nu helemaal tweeduizend jaar op de duizenden jaren in het kwadraat dat onze aardbol van menselijke bewoning is voorzien. Vaak doen we alsof alles in het jaar nul begon. Althans dat is het gevoel bij het zien van die echte antiquiteiten, zoals de woningen op de stadsmuur.
Mijn eerste stap in de Straat-Die-De-Rechte-Heet doet me denken aan de allereerste keer dat ik mijn voet op vreemde bodem zette, toen ik met mijn oom en tante per auto op weg was naar de dierentuin in Antwerpen in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Onderweg moest ik nodig plassen en bij het uitstappen liet ik mijn voet even boven Belgische grond bungelen en dacht, nu ben ik voor de eerste keer in het buitenland.
Gelukkig is dat kleine jongetje van toen nog altijd op de achtergrond aanwezig en is de Straat-Die De-Rechte-Heet een van de leukste die ik ken, boordevol mensen en hun energie.

Reis tip: om een land goed te leren kennen, ga er je er naar de kapper, zoals ik toen deed. Iets voor de toekomst, wanneer dit land weer door iedereen te bereizen is. Syriërs zijn namelijk reuze gastvrij. Dat ze je -juist niet mijn bedoeling- graag laten voorgaan in een rij. Het zegt veel over hun mentaliteit. Als buitenlander is het beter om op je beurt te wachten en je ogen en oren dan goed de kost te geven.
Mijn hoofdhaar had ik opgespaard zodat de kapper zich erop kon uitleven. Iedereen bleef keurig zitten wachten en ik kon meteen plaatsnemen in de kappersstoel. Hoog aan het plafond was een t.v. bevestigd waar op dat moment een voetbalwedstrijd gaande was. Mijn kapper -er waren er meerdere bezig- probeerde onder het knippen de wedstrijd te volgen. Hij had meer oog voor de knikker op het scherm dan de knikker onder zijn handen. Toch was ik tevreden met het resultaat en met gemengde gevoelens -jammer dat ik mocht voorgaan- verliet ik de zaak met de rij mannen aan de kant op hun plastic stoelen.

Syrië… Het was toen nog altijd een dictatuur. Kleine criminaliteit? Nooit van gehoord. Laat rustig je portemonnee zichtbaar op tafel liggen. Bestel een versnapering, bij terugkomst is de inhoud nog aanwezig, met rente. De angst voor de politie is er levensgroot.

Wat opvalt is hoe goedkoop het is en derhalve een trekpleister voor Arabieren uit de Golfstaten op vakantie, die alles uithalen wat Allah verboden heeft en dat is veel. Bij aankomst op het vliegveld zag ik sommige mensen tegen betaling van een bedragje de lange wachtrij omzeilen. Net buiten het vliegveld werd onze taxi staande gehouden en mocht pas tegen betaling doorrijden. Zo wordt het karige loon van een politieagent aangevuld.

Na veel gemarchandeer kocht ik er een tapijt voor thuis. Tot moe wordens toe wordt er steevast onderhandeld. Ervan uitgaand dat de prijs ernaar is, deed ik daaraan mee. Het is zaak een gemeenschappelijke achtergrond te hebben om zo tot een goede ‘deal’ te komen. Uiteindelijk kwamen we overeen allebei van christelijke huize te zijn. Later die dag bleek AZ in zijn kampioenswedstrijd van Excelsior, nota bene een degradatiekandidaat, te hebben verloren. Toen heb ik de naam des Heren een aantal keren ijdel gebruikt. Religie is een ding daar in het oosten, viel me op. Iedereen is wel iets; moslim, christen, alawiet of druus.
Er werd een bundel gemaakt van het tapijt en in een uitstekende stemming vertrok ik. Dag, christelijke koopman. We schudden elkaar hartelijk de hand ten afscheid; een vriend rijker.

Nu alles een herinnering begint te worden, er alleen nog de foto’s zijn, een ongebruikt bankbiljet, wat muntjes, het gekochte tapijt, zou ik het liefst even teruggaan naar die heksenketel die Damascus heet. Er is nog zo veel niet verteld. Over de gastvrijheid van zijn bewoners. Over het lekkere eten en de alcohol die ondanks het verbod toch ruim verkrijgbaar is. Maar dat laten we zo, omdat het anders een veel te lang verhaal wordt. En bovendien, niet alles is uit te leggen. Niet hoe de stad ruikt, niet hoe in de korte schemering van de dag het licht op de muren van de huizen valt.

Ik ben weer druk met de besognes van het dagelijkse leven. Damascus is ver weg, maar niet als ik de cd van Fairuz opzet, een illegale kopie, gekocht op straat. Arabische muziek heeft een hoog habibi-gehalte. Nooit geweten dat de nachtclub die we in 1970 of daaromtrent frequenteerden eigenlijk ‘schatje’ heette.
De muziek van Fairuz, met zijn populariteit in die contreien lijkt een middel om alle landen van het Midden-Oosten te verenigen. Tot een Syrische en een Jordaanse zangeres in een Idols aflevering in de finale het tegen elkaar moesten opnemen en de Jordaanse won. Weg verbroedering.

Terug naar mijn thuiskomst uit Damascus, vol indrukken en bijbehorende verhalen. Ik wist niet waar te beginnen tegen mijn net wakker gemaakte huisgenoten. Met veel uhs… begon ik aan een referaat.
In alle vroegte was ik teruggekomen en had vrouw en kind gewekt, die me blij en tamelijk lodderig aankeken. Ik moest zoeken naar een antwoord op hun vraag hoe het was geweest. Ze keken naar de rare cadeautjes voor hen op tafel; voor mijn dochter twee schoolschriften met op de voorkant het hoofd van de vader van de toenmalige president, Hafez-al-Assad, een doosje kleurpotloden met een onleesbaar Arabisch opschrift en het blauwe gebedssnoer voor het hoekje op haar kamer met de verzameling Boeddha’s.
‘Kijk dit snoer heeft 99 kralen. Die staan voor alle 99 namen van Allah’, legde ik uit. Ze keek me aan alsof ze voor het eerst zag en mogelijk was dat ook zo.
‘Voor op je kamer, in je Oosterse hoekje’, moedigde ik haar aan.
‘Het Midden-Oosten is ook het Oosten’, probeerde d’r moeder haar op weg te helpen.

Voor mijn vrouw had ik een tapijt gekocht, waarop ik had afgedongen alsof mijn leven ervan afhing en dat ik uiteindelijk als een jachttrofee op mijn schouder uit de soek had gesleept en in het vliegtuig een plekje boven mijn hoofd had gegeven. Zelf vond ik het een prachtig tapijt, vijftig jaar oud, nog in perfecte staat. En met een certificaat van hoe en door wie het gemaakt was. Toen het uitgespreid lag in de kamer op de plek die ik in de soek voor ogen had zei mijn vrouw: ‘Het is een prachtig kleed, maar niet voor hier.’
‘Voor waar dan wel?’ vroeg ik bedremmeld. Maar die vraag sloeg ze voor het gemak over. In plaats daarvan zakte ze op haar knieën en zei: ‘Kijk hier zit een weeffoutje.’ Ze wees op een onregelmatigheid in het patroon.
‘Dat doen ze expres’, verklaarde ik en hurkte naast haar op de rand van het tapijt. ‘In elk tapijt wordt met opzet een foutje ingeweven. Het mag niet foutloos zijn, omdat alleen Allah perfect is. Zo denken ze daar nu eenmaal…’
‘Die kameel kijkt eigenaardig en er komt stof uit’, riep zijn dochter. Ze was lui op het kleed gaan liggen en klopte met haar hand op een gestileerde kameel.
‘Die kijkt zo arrogant omdat hij de honderdste naam van Allah kent’, wierp ik zwakjes tegen. ’En dat stof is woestijnstof,’ jokte ik iets fermer.
‘Dat gaat niet lukken’, dacht ik er achteraan, hen op de hoogte brengen van mijn avonturen in de afgelopen tijd.

Einde

Back To Top