skip to Main Content

Alwin (2)

In het vorige stukje maakte Jack kennis met Alwin; zwart als de nacht en zeer illegaal. En naarmate hij hem beter leert kennen -af en toe spreken ze eens wat af- sijpelt er informatie door over het hoe en waarom van zijn komst naar ons kikkerland en naar ons stadje in het bijzonder. Het duurt lang voordat Alwin hem vertrouwt en al die tijd lacht-ie veelvuldig zijn blinkende gebit bloot, blijven zijn ogen waakzaam en laat hij vooral niet het achterste van zijn tong zien. Hij bedelt om werk, maar nooit om geld. Af en toe wordt hij ingehuurd door een onderaannemer, die hem meeneemt naar Amsterdam waar hij voor 5 euro per uur de hele dag containers moet vullen met sloopafval. En dan is het nog maar de vraag of hij uitbetaald krijgt. Slapen doet-ie met zeven anderen in een of ander rothok zonder kachel waar ze elkaar warm houden.
Telkens als Jack naar Alwin luistert kan hij zijn oren niet geloven en voelt hij zich onnoemelijk rijk. Hij bekijkt Alwin alsof hij voor de televisie zit. Maar Alwin’s verhaal is hartstikke echt en speelt zich af op nog geen kilometer van zijn eigen comfortabele leventje in zijn eigenste Alkmaar.
‘Wat doe je dan als je baas geen werk heeft voor je?, vraagt hij Alwin.
‘Dan wacht ik op een oproep’, zegt-ie. ‘Hij kan me ineens nodig hebben’. Hij kijkt Jack neutraal aan alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is en dat is het blijkbaar ook. ‘Op een dag had hij me plotseling nodig’, vervolgt Alwin. ‘Ik ging meteen naar hem toe en had zo gauw geen tijd om eten mee te nemen. M’n baas gaf z’n vrouw opdracht om wat brood voor me klaar te maken, maar daar had ze geen zin in en ze kregen vreselijk ruzie om die boterhammen van mij’ Jack begrijpt dat Alwin klaar is voor een ontboezeming, want hij heeft hem nog nooit zoveel woorden achter elkaar horen zeggen. ‘En toen?, vraagt-ie. ‘Uiteindelijk deed ze scheldend wat hij haar opdroeg’, vervolgt hij vermoeid. ‘Maar ik kon nog net zien hoe ze in de keuken de klaargemaakte boterhammen weer opende en er een voor een in spuugde’. Hij veert op, lacht met zijn mond, breed en wit, maar de rest van zijn gezicht doet daar niet aan mee.
Wordt vervolgd

Back To Top