Stavoren 1

Zodra de school en het weer het toelieten waren ze naar Enkhuizen gereden om daar de boot te nemen naar Stavoren; hij en zijn dochter. Ze was nu tien jaar en al een hele dame. Bijvoorbeeld wanneer ze haar lange blonde haren borstelde en hij zag hoe ze dat behendig in een staart deed zodat het op de boot niet in haar gezicht zou waaien. Hij keek naar haar; hoe ze aan de reling stond en uitkeek over het weidse water, hoe ze hem wees op de zeilschepen in de verte. ‘Zullen we naar beneden gaan?’, vroeg ze ineens. ‘Naar de kantine?’
De kantine betekende ijsjes en fristi’s en dan was ze toch ineens weer een kind van tien. Maar hij had geen zin in haar voorstel. Hij zat perfect met zijn rug tegen de stuurhut over het IJsselmeer uit te kijken en was bang z’n plekje kwijt te raken als hij opstond. En dus kwam ze bij hem zitten en vlijde zich tegen hem aan. Ze keken naar de mensen om hen heen, meest stellen met dure fietsen en in verantwoord sporttenue. ‘Als ik later trouw’, begon zijn dochter plotsklaps, ‘zal ik dan gelukkig worden, pap?’.
Dat was een moeilijke vraag, vond haar vader. Hijzelf was een produkt van de jaren zestig van de vorige eeuw en hij vroeg zich af of hij zijn dochter met de theorie├źn van die tijd moest opzadelen.
‘Nou’, ongeduldigde ze.
‘Niet altijd’, begon hij aarzelend. ‘En dus is het maar het beste dat je heel veel van jezelf houd. Pas dan kun je ook van iemand anders houden…’
Vanuit zijn schoot keek ze niet begrijpend omhoog. ‘Hoe bedoel je?’
Dit zijn andere tijden, besefte hij ineens. ‘Ik denk dat jij heel erg gelukkig zal worden’, gooide hij het roer om. Dat wilde ze blijkbaar graag horen want ze schurkte zich nog inniger tegen hem aan. Aan de horizon doemde de kust van Friesland op met het kerktorentje van Stavoren.
(wordt vervolgd)