Opa vertelt nog verder

(en stopt dan over dit onderwerp)

Begin jaren vijftig verhuisde het gezin waar Jack deel van uitmaakte van Langedijk naar de Grote Stad. Dat was een ingrijpende gebeurtenis, want vanuit een ruime boerenbehuizing kwamen ze terecht op een krappe flat in de Spieghelstraat, de eerste hoogbouw van Alkmaar.
Voor het eerst kreeg hij er, ondanks dit kneuterige onderdak, notie van hoe groot de wereld eigenlijk is. Hij zag mensen met een bruine huidskleur in veel te grote winterjassen door de sneeuw schuifelen. Indo’s werden die mensen genoemd of ook wel ‘blauwen’. Schuin boven hen woonde de familie Sleebosch, waarvan het verhaal ging dat pa Sleebosch nog altijd met een geweer naast zijn bed sliep omdat-ie dat gewoon was geweest in IndonesiĆ«. En in hun trappenhuis rook het naar exotisch eten en verre vreemde landen met andere gewoontes. Vanaf toen smaakten de gekookte aardappelen van zijn moeder toch anders.
Hij stond te kijken hoe Indo-jongens vliegerden, hoe ze met het scherpe touw elkaars lijntje probeerden door te snijden. Zo kon het dus ook, in plaats van je vlieger een beetje saai in de lucht houden zoals kleine Jack deed.
Haaks op de Spieghelstraat stond de Uitenboschstraat; daarachter lag een achterbuurt met de Runstraat en de Compagniestraat, straten die nu niet meer bestaan. Dat gebied was voor hem verboden terrein, maar voor het eerst van zijn leven werd hij Ongehoorzaam. Hij trof er vervuilde kinderen aan met ongewassen haar dat als een aangekoekt plakkaat op hun hoofd lag. Iemand had de voordeur uit zijn huis gesloopt en een paard in de gang gestald, waarna de hele familie via het raam naar binnen en naar buiten klom. Later zou over dat onderwerp een carnavalskraker gemaakt worden, maar hier duurde het carnaval het hele jaar door.
En bijna niemand in die buurt geloofde in God, nog zo’n verbijsterende ontdekking toen hij met enkele van die kinderen in contact kwam. Die gaan dus allemaal regelrecht naar de hel, dacht-ie met schrik, want zelf geloofde hij heilig in een hemel zoals hem thuis geleerd was. Veel Indo’s geloofden wel in God en die zou hij gelukkig allemaal weer tegenkomen in het Hiernamaals. Hopelijk namen ze dan hun vliegers ook weer mee. Maar hoe kon het dat de meeste Runstraat-bewoners, die ook best aardig waren, eeuwigdurend moesten branden in de hel. Een vraag waar een Polderjongen in de Grote Stad zo een-twee-drie geen antwoord op had…