Op reis

Het is alweer even geleden en Jack was op reis. In zijn dooie eentje. Hij reisde helemaal alleen door Spanje en daar gaat dit verhaaltje over. Alleen reizen moet je kunnen… Het is moeilijk, maar het is toch het mooiste dat er is. Totaal alleen tegenover een vreemde omgeving! Niemand om bij te schuilen, niemand om je achter te verschuilen. Nou ja, hij hoopt maar dat u begrijpt wat-ie bedoelt…
Uiteindelijk was hij helemaal onderin Spanje terecht gekomen. Hij sliep in een campertje, gewoon op een parkeerplaats midden in een stad. Dronken-droppies urineerden tegen zijn onderkomen en gebral hield hem uit de slaap. Soms was hij bang van alle agressie om hem heen, maar steeds liep het goed af en woog al die sores ruimschoots op tegen de illustere momenten die zijn reis opleverde. Hij dacht veel na over zichzelf tijdens die omzwervingen. Dat was nodig, want er was van alles gebeurd voordat hij vertrok en dat probeerde hij een eigen plekje te geven.
In Sevilla aangekomen frequenteerde hij de café’s. Sevilla is een prachtige stad met veel bars en veel zwoele temperaturen zodat de nachten eindeloos lijken. Hij sprak geen woord Spaans, maar wilde toch graag onder de mensen zijn. Op de altijd aanwezige televisie in die publieke gelegenheden was meestal wel een soap gaande. De kijkkast hing hoog aan de muur en er kwam veel lawaai uit; veel gekissebis tussen mensen die niet mét en niet zónder elkaar konden leven. Hangend aan de bar probeerde hij te volgen wat de televisie hem voorschotelde en bedacht hij zijn eigen tekst bij die beelden. Het gaf hem het gevoel alles te verstaan en het was net alsof hij bij de mensen in de bar en bij die mooie stad hoorde. Hij vermaakte zich prima in die zelf verzonnen wereld.
Nu hij dit opschrijft beseft-ie dat hij zich thuis ook vaak zo opstelt; bij alles z’n eigen teksten bedenkend om de dagelijkse werkelijkheid het hoofd te bieden. Elke gek z’n gebrek.

Strelen

Jack zat in het Heuse Bruine Café na te genieten van een drukke koopavond. Hij had z’n lievelingsstekkie betrokken -het korte eind van de bar, rug tegen de muur en lekker dicht bij de deur- en overzag het gekrakeel om hem heen. Het liefst had hij een glas wijn besteld, maar vanwege de kwaliteit ervan (waarom is café-wijn meestal niet te drinken in dit polderland?) besloot hij een biertje te nemen.
Opzij van hem, aan de hoge tafel, probeerde een juffrouw een andere juffrouw te versieren en bij gebrek aan beter raakte hij geïnteresseerd in hun gesprek.
‘…met mannen heb ik dat niet’, ving hij op.
‘Heb je dan wel eens iets met mannen gehad?’, hoorde hij vragen. Hij keek steels opzij en zag dat ze elkaars hand vasthielden. ‘Ik vind ze vaak zo simpel’ .
‘Ik heb vroeger een tijdje met een man samengewoond, ja’, antwoordde de ondervraagde.. ‘Maar ik vond ‘m zo pover in bed. ’s Morgens porde hij me met dat harde ding van ‘m in m’n rug. Ik was nog niet eens goed wakker…’, klonk het verontwaardigd.
‘Ze zijn vaak zo oppervlakkig’, zei de vraagster. ‘Als ik verliefd ben wil ik graag de diepte in met iemand. Hoe heb jij dat?’
‘Het duurt heel lang voordat ik me aan iemand overgeef’, hoorde hij de ondervraagde zeggen.
Een deel van het gesprek ontging hem nu omdat er mensen binnenkwamen die een luidruchtige begroeting met hun vrienden begonnen.
Jack nam een teug van zijn bier en keek zo neutraal mogelijk opzij, waar de juffrouw die-de-diepte-in-wou haast begon te krijgen en alvast de hand van de andere juffrouw begon te strelen. ‘ …en is het voor altijd?, hoorde hij haar zeggen.
‘Ik weet ’t niet’, zei de gestreelde. ‘Ik ben nogal eens teleurgesteld. Je investeert je hele hebben en houwen en uiteindelijk blijf je met lege handen achter’.
‘Waarom gaan we hier niet weg?’, stelde de streelster voor. ‘We kunnen zo naar mijn huis gaan…’
‘Wil je dat…?, aarzelde de gestreelde. ‘Misschien komt Monica nog…’
‘We wachten toch niet op Monica..? Ik heb Monica trouwens nooit gemogen’.
‘Waarom zeg je dat nou?’, zei de gestreelde licht geschokt. Vanuit zijn ooghoek zag Jack hoe ze haar hand ineens onder die van de ander wegtrok.
‘Nou ja… Ik mag Monica wel, maar ik vind haar vaak zo afstandelijk’, zei de streelster, die ineens niets meer te strelen had. ‘We kunnen toch alvast naar m’n huis gaan? ’t Is helemaal niet zeker of ze komt’.
‘Ik weet niet…’, deed de ander vaag.
‘Geef me je hand eens terug?’
‘Nee, hij wordt zo klam als je ‘m vasthoudt’. Ze begon hem omstandig droog te wrijven met haar andere hand, ook goed tussen haar vingers, alsof ze zich ergens van wilde ontdoen.