Zomer

ZOMER
Als hij dit opschrijft bestaat hij uit de helft van twee vaders, die hun kinderen meegenomen hebben naar het zwembad. Dat dit zwembad het Dousberg Bad heet en in Maastricht ligt doet niet zoveel terzake. Op het grote grasveld rond het bad vinden dingen plaats die overal gebeuren rond een bak vol water met mooi weer.
Vlak voor zijn neus voetballen drie bierbuikige mannetjes en verder ligt iedereen te bruinen op zijn handdoekje; meisjes bij meisjes en jongens bij jongens. Twee groepen die elkaar nonchalant, maar o zo scherp in de gaten houden ondanks de warmte. Verderop zit een plompe moeke rechtop in het gras; haar bedrijvige armen liggen stil in haar schoot. De drie Bierbuikjes zuchten onder hun aktiviteiten, de techniek is er nog wel en even voelen ze zich de voetballers van weleer. De Plompe Moeke schilt nu een appeltje en deelt die met een druipend kind dat meteen weer terugrent naar het volle bad.
Hij zoekt naar zijn dochter in die badende menigte, waar ze samen met haar vriendin en diens vader proberen een potje te zwemmen. Hij verheft zich op zijn ellebogen en zoekt haar blonde paardestaart tussen al die koppies die uit het water steken. Om hem heen heeft het luie liggen nu echt toegeslagen; er wordt gelezen, ingewreven, loom over het buikje geaaid, rimpels en pukkels worden onderzocht, tatoeages bewonderd en dat alles dik overgoten met een graadje of dertig.
Hij vindt zijn dochter terug in het gekrioel en tegelijk kijkt ze naar hem. Ze zwaaien naar elkaar. Life is a state of mind, denkt hij. Waarom hij dat denkt weet hij niet. Althans, hij weet het wel maar het is te warm om het uit te leggen en verder nog wat op te schrijven…

© Jac. de Feyter

Goeie Zaken

Jack zat in café De Kaasstolp aan Het Plein en hij deed een poging om niet aan z’n winkel te denken. Dat mislukte al meteen, want tegenover hem nam een oude bekende plaats aan z’n tafeltje. Ze hadden elkaar tamelijk lang niet gezien.
“Wat hoor ik”, riep Oude Bekende luid. “Je bent een wijnwinkel begonnen…?”
“Ja”, zei Jack zachtjes terug. Hij keek steels om zich heen om te zien of er meegeluisterd werd.
“Kan je daar nou helemaal van bestaan?” luidruchtigde Oude Bekende verder.
“Gaat wel”, stribbelde Jack tegen.
“Want daar doe je het uiteindelijk toch voor!” tetterde hij. “Niet dan…?”
“Zou je iets zachter willen praten?” verzocht Jack z’n tafelgenoot.
“Zachter praten…?”, loeide Oude Bekende. “Waarom…” Je wordt toch niet zo’n bescheten middenstander? Zo eentje die nooit ’t achterste van z’n tong laat zien. Zo word jij toch niet, hè?”
“Nee”, beloofde Jack. “Maar daarom hoef je nog niet zo hard te praten. Iedereen luistert mee…”
“Nou én!”,daagde Oude Bekende hem uit. “Loopt die zaak nou een beetje of niet…?”
“Het gaat de goeie kant op”, bekende Jack naar waarheid.
Oude Bekende keek hem meewarig aan. “Ben je wel eens een winkelier tegen gekomen die hardop zei dat z’n zaak niet de goeie kant op gaat?” riep hij.
“Daar heb je wel gelijk in”, gaf Jack toe. Inmiddels wist hij zeker dat het hele café meeluisterde. “Maar het is ook leuk om te doen…” Onmiddelijk had hij spijt van die laatste zin.
“Leuk om te doen…! Leuk om te doen…!”, schreeuwde Oude Bekende met een vies gezicht. “Wat is dat nou weer…! Daar kan je toch geen brood voor kopen?” Hij keek in het rond om zich van bijval te verzekeren.
“Ik bedoel, het gaat niet alleen om de verdiensten. Natuurlijk is dat belangrijk, maar het is ook leuk om te doen… Dat is ook een soort van verdienste”. Jack begon het warm te krijgen, zo warm dat zijn stoel begon te smelten en hij het gevoel had dat hij nog alleen met z’n hoofd boven de tafel uitstak.
“Loopt die zaak nou of niet?”, riep Oude Bekende op hem neer kijkend. “Daar kan je toch gewoon ja of nee op zeggen!”