Kinderboerderij

Jack’s dochter is inmiddels veertien jaar en over een paar weken is ze jarig en daarom zegt ze tegen iedereen die naar haar leeftijd vraagt, dat ze vijftien is om het proces op te haasten. Ze kan niet wachten om ouder te worden. Bij haar vader is dat juist andersom en dat houdt hij haar ook voor. ‘Je kunt nog je hele leven oud zijn’, roept-ie haar toe. Maar die opmerking wordt afgedaan als gezeur en hoort bij de mensen die stokoud zijn en daardoor bij voorbaat een verdachte groepering.
Vanmiddag -zondagmiddag- heeft ze afgesproken om met haar vriendinnen iets te gaan drinken in de ‘uitspanning’ bij de kinderboerderij aan de Vondelstraat, geheel zelfstandig en zonder bemoeienis van hun ouders. Je kunt daar heerlijk zitten en de versnaperingen kosten niet veel. Thee voor vijfenzeventig cent, koffie idem dito, een tostie voor anderhalve euro en nog zo wat van die gesubsidieerde prijzen. Ze gaan er brunchen, want dan ben je helemáál volwassen. Hangend uit het raam wacht ze haar vriendinnen op, onderwijl staat ze met hen in verbinding per mobiel en als ze binnenvallen is het een tumult van jewelste. Ze beginnen meteen te kletsen en houden daar niet meer mee op. Zelfs op straat gaat dat door en kijken ze onderwijl met een scheef oog in het spiegelende glas van de ramen op de begane grond. Zit m’n haar wel goed? Zit m’n sjaal in de juiste knoop? Hoe hoog doe ik m’n jas dicht? Allemaal belangrijke vragen, waar de onzekerheid vanaf spat. Dan uiteindelijk vertrek het ‘spul’. De Vondelstraat is linksaf, maar toch slaat het groepje eensgezind rechtsaf over de volle breedte van de straat…
Als ze terugkomen vraagt-ie: ‘En, hoe was ’t ?’
‘Leuk’, antwoordt ze. ‘Alleen begrijp ik niet waarom ze dat een kinderboerderij noemen. We zijn toch geen kinderen meer?’
‘Schrijf een protestbrief’, raadt hij haar aan, ‘en stuur die naar het Europese Parlement ter attentie van de afdeling Jong Volwassenen’.
‘Daar heb je hem weer hoor’, zegt ze tegen haar vriendinnen. Ze schaamt zich altijd voor haar vader als-ie zo bijdehand doet waar zij bij zijn.

Vogels

Meeuwen horen thuis aan de waterkant; het strand of een havenstad. Dus wat doen ze dan in Alkmaar? Eén of twee, soit. Maar een hele kolonie van die schreeuwlelijken is toch wat veel. Opzouten, ga naar je oorspronkelijke biotoop, wil hij ze toeroepen. Maar dat doet-ie niet omdat ze toch niet luisteren. En als ze het wél horen keren ze zich misschien tegen je en vallen je aan als in een Hitchcock-film. Hij moet er niet aan denken. Vanmorgen zag hij een vlaamse gaai op het hek rond het terras zitten. Dat zijn ook brutale krengen, maar goed, die zijn weer erg mooi. Meeuwen zijn lelijke veelvraten, met kille ogen en een veel te grote agressieve snavel. Gooi je brood in de gracht voor de eendjes, gegarandeerd dat zo’n witgevlekte engerd ermee van door gaat, de teleurgestelde eenden en waterhoentjes in het water achterlatend. Ook op de Voordam van onze Onvolprezen Stad, daar waar de Vlaamse frietjes verkocht worden zijn de meeuwen niet weg te denken. Nog even en ze zijn zo tam dat ze op je arm neerstrijken om een frietje mee te pikken uit je bestelling. Bedelende eenden trekken de veters uit je schoenen om zo aandacht te vragen. En een suffe duif (in Amsterdam dakrat genoemd) heeft zich niet op tijd uit de voeten gemaakt en ligt platgereden op het wegdek als een bloederige pizza waaruit een laatste veer omhoog steekt die beweegt in de wind.
Laatst zag hij een meeuw in de Koningsstraat die een weggegooide patatzak, met nog wat van die harde restanten en een kliekje mayonaise erin, naar binnen pobeerde te werken. Dus niet leeg te eten… Nee, hij begon vanaf de punt de dubbele patatzak met inhoud en al naar binnen te schrokken. Een onplezierig gezicht, te zien hoe die zakken halverwege in z’n bek en dikke nek bleven steken en hij alles uiteindelijk met kokhalsbewegingen naar binnen wist te werken. Daarom heten ze waarschijnlijk ook kokmeeuwen. Jack’s achterbuurman maakt zich sterk voor de terugkeer van de huismus in het straatbeeld. Red de huismus, heet die aktiegroep. Hij overweegt al een poosje zich daarbij aan te sluiten. Eigen vogels eerst…

Zon-dag

Afgelopen zondag kwam de eerste zon door en wat er dan gebeurt komt dichtbij een totale omwenteling, alsof je in een andere land woont: Alkmaar op z’n mooist. De terrassen lopen voorzichtig vol, de jassen gaan los en bleke wintergezichten worden in meditatieve aanbidding opgeheven naar die Vrolijke Warmtebron hoog aan de blauwe hemel, die brutaal buiten het Nuon om alle zorgelijke plooien doet wegtrekken. Daar helpt geen dure therapie aan. Waar de terrassen van het Waagplein vaak rumoerig kunnen zijn, hangt er nu een verbaasde stilte. Half februari, hoe kan dit waar zijn?
Bij zijn loopje door de stad is hij echt niet de enige wandelaar en net als veel anderen blijft hij stilstaan op de Bathbrug over de Mient om naar de vissers te kijken, die hun lijntjes met zwierige zwaaien over het grachtwater laten zweven, alsof hun hengel een zweep is waarmee ze de vissen willen temmen. Hun snoertjes glinsteren in het zonlicht. Hij helpt de vissers mee te staren naar hun roerloze dobber en ziet ze hun rituelen herhalen, keer op keer. Ook de fietsen worden uit de mottenballen gehaald en onwennig ingezet. De hele stad komt tot leven.
Thuisgekomen pakt-ie de snoeischaar en gaat de druivenstruik te lijf. Voordat de knoppen doorbreken moet ze van alle zijtakken worden ontdaan. Tailleren, heet dat in het Frans en de kunst is te weten hoe en waar je moet knippen. Hij kortwiekt de struik nog gauw voordat ze echt wakker wordt en al snoeiend ziet-ie, dat hij echt niet langer had moeten wachten. Dan stopt hij even en kijkt op z’n horloge; vijf uur en nog volop licht, van dat verse strijklicht wat hoort bij het prille voorjaar. ‘Langer licht’, hoorde hij al weken om zich heen roepen en vandaag wordt alle ongeduld beloond. Een mooie dag, waar geen einde aan moet komen…

Krokodil

Ons mooie Nederland gaat naar de haaien. Of nee, eigenlijk gaat ’t naar de krokodillen. Die heb je tegenwoordig namelijk in allerlei kleuren. De echte is groen-bruin en woont ver weg, maar dit kikkerlandje is inmiddels de biotoop van een paarse, die van de reclame waarin ons wordt uitgelegd waarom ons landje verstopt raakt door de formulieren. In deze column introduceren we een nieuwe kleur, laten we zeggen blauw. De blauwe krokodil staat voor initiatiefloos functioneren en angsthazerij.
Wat deed zich voor! Een vriend van hem gaat naar de bank en weet zich langs de computerschermen te wurmen om daar iemand van vlees en bloed te spreken, op zich een hele opgaaf. Hij moest daar iets afgeven, maar wilde er graag een kopietje van hebben. Geen nood, er stond toch een kopieerapparaat in de gang. Zij daar heen. Toevallig was dit apparaat van hetzelfde merk en type als ook zijn vriend thuis had staan. De bankemployé legt het papier op de glasplaat en stelt het apparaat in. Maar op de een of andere manier wil het niet lukken en er begint een rood lampje te branden. Waarop zijn vriend zegt: “Geen nood. Als je die linkerknop ingedrukt houdt, functioneert-ie buiten het lampje om en kun je toch gewoon kopieëren. Want ik heb thuis net zo’n apparaat staan”.
“Nee”, zegt de brave bankmedewerkster, “dat mag ik niet doen. Als er iets kapot gaat heb ik het gedaan”.
“Maar hij is toch al kapot”, oppert de vriend.
“Toch mag het niet”, weet de bankvrouw. “Als-ie het niet doet moet ik dit servicenummer bellen dat hier op het deksel geplakt zit”. En ze draait het nummer van het onderhoudsbedrijf. Na het hele carrousel aan mogelijkheden uitgeluisterd te hebben en nog eens een keer lang wachten om opnieuw doorverbonden te worden, krijgt ze uiteindelijk een monteur aan de lijn en die legt haar uit: “Als je de linkerknop ingedrukt houdt, functioneert hij buiten het rode lampje om en kun je voorlopig toch kopieëren”.
Dit land gaat naar de krokodillen. Echt wel!