Klein behuisd

Eindejaarsvertelling voor
bij de centrale verwarming.

Aan de tafel in het café zat Jack tegenover een mevrouw, die altijd heel openhartig tegen hem is.
“We hebben altijd vier kinderen gewild”, zei ze ergens in hun gesprek. “En toen dat niet meteen lukte, hebben we er eerst maar eentje geadopteerd”.
“Om het proces op gang te helpen”, viel Jack haar bij.
“Ja, zoiets. En het hielp, want kort daarna raakte ik zwanger…”.
“Zo zie je maar”, vrolijkte hij.
“Maar goed, de eerste werd dus geadopteerd”, monterde ze onverstoorbaar verder. “We woonden in die dagen op de Filippijnen. En op een dag werd daar een schoenendoos bij het ziekenhuis afgeleverd met een kind erin. De placenta zat er nog aan vast…”, schoot haar te binnen. “Dat kind is uiteindelijk onze Caty geworden. En ik weet nog goed dat de rechter, die ons het kind toewees, tegen ons zei, dat hij had gehoord dat westerlingen hun baby altijd in een aparte slaapkamer leggen, helemaal alleen. Dat leek hem maar niks en we moesten hem beloven dat wij, als ’t even kon, zoiets niet zouden doen. Dat verzoek is me altijd bijgebleven”.
“Zei hij dat er echt bij?”.
“Ja, want daar woont de hele familie bij en door elkaar heen. Vandaar…”
“En je raakte dus zwanger?” hield Jack het gesprek gaande.
“In korte tijd tweemaal achter elkaar”, riep ze trots. “En met die drie kinderen togen we terug naar Nederland, naar Alkmaar, waar we tenslotte op een flat in de Maasstraat terecht kwamen. Vergeleken met een Filippijnse behuizing was die flat enorm. In ieder geval groot genoeg om er nog een kind bij te nemen en die wilden we ook weer adopteren. Want we hadden onszelf beloofd vier kinderen te nemen, zoals ik zei”.
“Wat je belooft moet je nakomen-ling”, grapte Jack.
Maar die woordspeling viel weg tegen haar opkomende kwaadheid, want ze vervolgde: “En dus kregen we al gauw een adoptie-consulent op bezoek, die onze gezinssituatie kwam opnemen. En uiteindelijk, na nog een paar bezoekjes, kwam ze tot de conclusie dat we te klein behuisd waren. Ze vond dat elk kind toch tenminste een eigen kamer moest hebben en zo werd ons verzoek afgewezen…” Ze keek Jack aan met terugwerkende verontwaardiging. “Snap je zoiets?”.

Nog een brief

Kreeg hij vorige week een brief van een lezeres als reaktie op een column. Nu krijgt hij een brief van zichzelf, die hij vijfendertig jaar geleden vanuit Amerika schreef aan een vriend, die nog altijd een vriend van hem is. Die brief, al die jaren bewaard gebleven, dook ineens op tijdens een verhuizing en is nu dus weer terug bij z’n afzender. Jong en onstuimig waren ze en hier volgen twee stukjes eruit;
… ik zal me ergens moeten vestigen (vies woord) en dat zal Europa wel worden. Ik ben hier ook weer aan het werk gegaan. Zonder vergunning! Acht uur per dag maak ik auto’s schoon. Als ze uit de tunnel komen, gewassen en droog geblazen, rijden we ze tot aan de wachtende eigenaar en geven dan het interieur nog een ‘veeg’ in de hoop op een vette fooi…
…ik wil graag spoedig bericht van je ontvangen over de mogelijkheid om van de zomer ook op het strand te gaan werken. Try to pull me in, Peet. That could be fun for this summer. Het seizoen zal wel vroeg van start gaan, zodat ik er alvast rekening mee kan houden..
Ach ja, de wereld lag aan hun voeten en het grappige aan zo’n brief is dat je de ‘banjer’ van toen onwillekeurig vergelijkt met het bedaarde mannetje van tegenwoordig, geteisterd door ervaring en ingekapseld door verantwoordelijkheden en je je door zo’n epistel weer herinnert wie je ooit was en je dan onwillekeurig afvraagt, ben ik erop vooruit gegaan in die tussenliggende jaren? Nee dus, is het onverbiddelijke antwoord. Maar, zoals u vast wel weet, zijn de jaren nu eenmaal moeilijk tegen te houden en daardoor kun je onmogelijk altijd twintig blijven. Tenminste…, dat zeggen ze.

Brief

Vroeger was alles beter! Echt waar. Het is mode om daar vraagtekens bij te zetten en op te noemen wat er voorheen allemaal slechter was om maar niet voor ouderwets versleten te worden. Maar echt, neem ’t maar aan, vroeger was misschien niet álles beter, maar toch heel veel wél. Want vroeger schreven we nog brieven naar elkaar. Tegenwoordig mailen we, maar al die mail verdwijnt geruisloos in het oppervlakkige internet-putje. Nee, dan een brief… Het begon al met een mooie postzegel en als je ‘m dan omdraaide, las je van wie hij afkomstig was en maakte hem snel open. Spannend was dat en vaak waren het tijdsdocumenten die je bewaarde. Niet om ze terug te lezen, maar voor het archief van je bestaan. Jack’s vrouw schreef in de tijd dat ze nog reisde veel brieven naar huis. Die zijn laatst in een onverschillig bui weggegooid door haar ouders. Zoiets hakt erin, alsof er een stukje van jezelf wordt weggegooid.
Vorige week kreeg Jack nog een brief als reaktie op de column van enkele weken geleden over meneer Knaap, zijn lievelingsonderwijzer op de lagere school. Mevrouw E.M. Spaan uit Alkmaar schreef dat ze blij was zijn naam weer eens te zien staan. En vervolgens legde ze uit waarom meneer Knaap zo’n fijn mens was geweest. Enfin… Ook schreef ze dat meneer Knaap in de oorlog elke week bij hen langs kwam op de boerderij en dan met een tas vol etenswaren huiswaarts keerde, maar op de Friesebrug kon worden opgewacht door de Landwacht, die de inhoud van je tas confisqueerde. Dat kan een brief je dus allemaal laten weten en met veel meer nadruk dan mail. Want toen hij het las en herlas zag hij het voor zich. De Friesebrug, waar hij alle dagen langs of overheen gaat… En daar staan dan mensen in uniform die je tegen kunnen houden en je boodschappen inpikken. Toegegeven, daarin was vroeger niet beter dan nu. Maar dat zijn we vergeten of het is ons nooit verteld. Bij deze dan…
Mevrouw Spaan bedankt voor uw briefje. Wie schrijft die blijft.

City Kid (slot)

Over en weer was er veel misverstand en onbegrip in het dorp tussen de landelijke bevolking en de ‘import’. Zelfs de dieren: de kip, het konijn en de geit, waren moeilijk te doorgronden voor de weke hersenen van de buitenpoorters.
Toen hun geit op het punt stond te bevallen, zat Jack met vrouw en kind op een stoel achter het dier om de voorstelling van dichtbij te volgen. Na lang wachten werd er een ‘kweetje’ geboren. Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Van de buren moesten ze vernemen wat een kwee is; een onzijdig schepsel. Geen man en geen vrouw. En omdat het arme diertje geen ‘uitgang’ had meegekregen van de Schepper liepen de afvalstoffen zo bij zijn poten neer, zodat het daar ging ontsteken en het beestje moest worden afgemaakt. Daar trof de rauwe landelijk werkelijkheid hen recht in het weekhartige stedelijke middenrif. En om het misverstand compleet te maken had hij een keer eendeneieren onder de krielkip gelegd. Dit kekke kipje was bijna het hele jaar broeds en daarin zo fanatiek dat ze in staat moest worden geacht een steen uit te broeden. Onze hippe agrariër wilde nog meer beestenspul rond het huis en zodoende had hij het nest van een eend uitgehaald en de bleekgroene eieren verwisseld met haar eigen legsel.
Dat de eieren veel groter waren dan de oorspronkelijke mocht haar niet deren en ze keek vanaf haar hoogte trots om zich heen. Na een paar weken kwamen de eieren inderdaad uit en het eerste wat haar kroost deed was hun instinct volgen en spoorslag richting sloot tippelen. Daar gleden de donzige pulletjes pardoes te water en dompelden zich eens lekker onder. Het kipje kon haar ogen niet geloven en liep panisch kakelend langs de slootkant heen en weer. Het is nooit meer goed gekomen met haar en even zo min met de landelijke aspiraties van haar bazen.