Jan Wolkers

Niet iedereen vond het nodig dat de uitvaart van Jan Wolkers ‘live’ werd uitgezonden op de televisie, vernam hij in zijn omgeving. Maar als dat voor André Hazes en voor leden van ons aller vorstenhuis wel gebeurt, waarom dan niet voor Jan Wolkers, kun je je ook afvragen. Zelf heeft Jack er niet naar gekeken (geen tijd), maar ’s avonds zapte hij zo hier en daar wat flarden van de begrafenisplechtigheid bijeen. En steeds waren dat momenten van grappige overpeinzingen en vrolijke herinneringen.
De boeken van Jan Wolkers hebben veel invloed gehad op Jack’s generatie. Als kind van je tijd viel daar nauwelijks aan te ontkomen. Dat mag blijken uit de volgende gebeurtenis…
We schrijven 1965 of daaromtrent en sexueel experimenteerde de jeugd van Nederland er lustig op los, zo ook de protagonist van dit verhaal. Hij was met een meisje naar Bergen aan Zee gereden om er een avondlijke strandwandeling te maken. Ach ja, bevangen door onstuimige hormonen verzin je wel eens wat. Hoe het meisje heette, kan hij zich niet meer herinneren. Wel dat ze nogal dik was en lekker warm. Het was al september, de dagen begonnen te korten en uit zee kwam een kille nevel opzetten. Maar zij tweeën lagen op en onder een jas in een kuil tegen de duinenrij aan en lieten de mist over zich heen trekken. Inmiddels was alle kleding los en zijn handen zaten overal op haar lichaam alsof hij er zelf geen controle meer over had. Voor het meisje ging het allemaal veel te snel en ze probeerde hem voorzichtig tegen te houden. Althans, soms wel en dan weer niet en dat alles onder het motto: Niet Doen Het Is Zo Lekker. Steeds verder gingen zijn handtastelijkheden totdat hij uiteindelijk doordrong tot haar Roos Van Vlees en zijn vingers zonder omhaal naar binnen wilden in hun opgewonden zoektocht. Dat was het moment voor het meisje om “Stop” te roepen. Met zijn hand er nog tussen, sloot ze haar dijen, ging ineens rechtop zitten en begon haar kleren te ordenen. En met een geknepen stem verweet ze hem : “Heb je soms een boek gelezen van Jan Wolkers?”. Dat is-ie toen meteen gaan doen…

Koffer (slot)

Vorige week vertelde Jack op deze plek, dat hij een oude koffer van zolder naar beneden heeft gebracht, die vol zit met geschreven herinneringen aan zijn vorige leven als auteur. Hij komt daarin z?n eerste schrijfsels tegen en z’n tenen krommen bij het lezen ervan. Korte verhalen en dikke manuscripten met titels als ‘Alles is Plastic’ en ‘De gekte van het reizen’. Geen wonder dat die allereerste pogingen overal werden afgewezen. Maar dan stuit hij ook op z’n eerste publikatie, in wat toen het maandblad Avenue heette en wat een grote stap vooruit betekende in zijn schrijversbestaan. Dat verhaal kan er nog steeds mee door en het zou leuk zijn daar nog eens een column van ‘nul72′ mee te vullen. Wie weet?
Helemaal onderin vindt hij de vergeelde pagina’s van het Alkmaars Weekblad waar hij naar op zoek is. Pagina’s met interviews die hij afnam van willekeurige Alkmaarders, die hij dan naar hun hobby’s vroeg. Gewone mensen die hij aansprak op straat om ze zover te krijgen dat ze hem vertelden waarom hun leven de moeite waard is. In eerste instantie was iedereen nogal terughoudend. Nooit eerder had een vreemde hen op straat daar naar gevraagd. Opvallend was, dat de meeste mensen zichzelf niet de moeite waard vonden voor zoveel aandacht. Daar moest-ie een breekijzer op zetten om hun aarzeling te overwinnen. Maar als dat lukte werd hun verhaal na een stroef begin steeds enthousiaster en waren ze vaak niet meer te stuiten.
Het resultaat van die gesprekken, onder het motto ‘Een praatje met’ werkten ze dan samen uit, want de foto’s en de tekeningen waren van Dirk Bakker, nog altijd aktief als kunstenaar en voldoende bekend in deze contreien en daarbuiten.
Nou ja, met de inhoud van de koffer kan hij een lange reis maken zonder zijn kamer te verlaten. Dat zou hij zelf vertellen, mocht ooit iemand van een krant hem op straat aanspreken en hem naar zijn hobby’s vragen.

Koffer (1)

De krant die u nu in uw handen heeft bestaat overmorgen 50 jaar en daarom is de redactie op zoek gegaan naar haar eigen verleden. Zelf is hij ook een onderdeel van dat verleden, besefte Jack bij het lezen van de oproep aan de lezers om bij die zoektocht behulpzaam te zijn. Want in de grijze oudheid heeft hij al eens eerder voor deze krant geschreven. En dus ging hij op zoek naar de sporen daarvan.
Op zolder heeft hij heeft een hele grote zware koffer staan waarin al zijn pennenvruchten, vergeefse en geslaagde, zijn opgeborgen. Meer vergeefse dan geslaagde overigens. Hij komt bijna vergeten manuscripten tegen als hij de koffer opent, nog in de originele enveloppen van uitgeverijen als De Bezige Bij, Meulenhof, De Arbeiderspers, Bert Bakker en wat dies meer zij. De begeleidende brieven zijn nog ingesloten en beginnen zonder uitzondering met: Tot onze spijt… Dat was allemaal nadat zijn debuutroman bij de eerste de beste poging wél gepubliceerd werd door uitgeverij Contact te Amsterdam, en naar aanleiding daarvan vindt hij ook nog een halve pagina interview met zichzelf in Het Parool, de recensie van Kees Fens in De Volkskrant en van Guus Luijters in HP-De Tijd en nog zo wat van die landelijke en regionale wapenfeiten. Ook stuit hij op twee uitnodigingen aan hemzelf & partner voor het Boekenbal van 1973 onder het motto Literatuur en Jazz met medewerking van o.a. het Dexter Gordon Quartet en Johnny de Selfkicker. Wie kent die laatste nog?
Enfin, de inhoud van de koffer ruikt tamelijk muf en stemt hem niet vrolijk. Het is niet prettig herinnerd te worden aan al die jaren dat hij teruggetrokken op zijn werkkamer schreef en door niemand gelezen werd. Meters taal produceerde hij; woord na woord, zin na zin, opeen gestapelde hoofdstukken als muren, waarachter hij zich verschanste tegen een sceptische buitenwereld om als enige te blijven geloven in zijn talenten.
(wordt vervolgd)

Knaap

Wat nu de Sint Jorisstraat is, was vroeger de speelplaats van de Wilhelminaschool en die mondde weer uit op het Doelenveld. Aan de muur van de school hing een bel, die werd geluid als de school begon. Daar ging het hoofd van de school over, meneer Knaap, zijn lievelingsmeester, die met zijn sigaar in de mond maar net bij het touw kon om de bel te luiden.Toen zat-ie al in de zesde klas en aan tafel thuis hoorde hij termen als ‘bestedingsbeperking’ en ‘hoogconjuctuur’. Thuis hadden ze het nog nooit zo goed gehad en hij hoopte maar dat dat nog even zou duren zodat hij, als hij van school kwam, makkelijk werk zou vinden en veel geld zou verdienen.
Meester Knaap was aardig; een absolute voorwaarde om iets op te steken als je in de schoolbanken zit. Hij kwam zelfs bij meester Knaap thuis in de Steijnstraat, mocht-ie het aquarium schoonmaken en ruilden ze waterplanten onderling. Daar werd toen niets achter gezocht en waarom zou je ook. Nee, over meester Knaap geen kwaad woord. Waren alle meesters maar zo als hij.
Halverwege het schooljaar ging meester Knaap dood. Dat was een klap van nauwelijks te bevatten omvang. Nooit zou meester Knaap meer de bel luiden, het huis in de Steijnstraat heeft hij nooit meer van binnen gezien en aan alle schoolse vordering kwam abrupt een einde. De hele klas was in de aula van de Algemene Begraafplaats aanwezig. Daar waren ze trots op, want het was wel mooi hun meester die dood gegaan was. Ook op de foto van hun klas in de krant tijdens de rouwdienst waren ze trots, maar al gauw daarna overheerste het onbegrip en het verdriet. Verdriet dat bij elke nieuwe meester, een vervanger, weer bij hem naar boven kwam..
Na dat laatste jaar ging hij van school. Bij de rapportuitreiking, een plechtig moment, werden ze toegesproken. ‘Het ging hun goed’ en ‘Blijf je best doen’. Daar zou meester Knaap een heel ander verhaal op gezet hebben. In ieder geval bij hem wel, wist hij. Maar alle anderen schenen meester Knaap te zijn vergeten. Niet lang daarna hoorde de ‘bestedingsbeperking’ tot het verleden en gingen de mensen kopen-op-krediet, waar bij hem thuis afkeurend over gesproken werd. Maar de ‘hoogconjuctuur’ floreerde als nooit te voren.

Rooie Dirk

Van 23 september t/m 3 november zijn de schilderijen van Dirk Meijer te bewonderen in het pand Huigbrouwerstraat 24 hier ter stede. Bij Nacht & Ontij heet de tentoonstelling. Dirk -Rooie Dirk, voor vriend en vijand- heeft jaren niks van zich laten horen, geobsedeerd als hij was door Nacht & Ontij, maar nu heeft hij weer een nieuwe tentoonstelling. Het werd tijd.
Jack liep er die zondag 23 september even in en uit. Hij houdt niet van ‘openingen’, maar voor iemand die hij goed kent maakt-ie graag een uitzondering. En bovendien, de laatste keer dat hij werk van Dirk publiekelijk mocht aanschouwen dateert alweer van zo’n dertig jaar geleden. De ontzuiling -lees ontkerkelijking- van Nederland was in volle gang en op Het Bolwerk van onze Onvolprezen Stad werd een kunstmarkt gehouden. Dirk was daar aanwezig met een stalletje en aan een soort waslijn, alsof ze er hingen te drogen, waren werken van hem opgehangen. Eén van die volledig abstrakte schilderijen heette ‘Een wandeling met God’. Zo’n titel blijft je bij in een tijd waarin vrijwel alles ter discussie staat.
Van Dirk kreeg Jack z’n eerste spijkerbroek. Zoiets vergeet je ook nooit meer. Op de slaapkamer van Dirk’s ouderlijk huis in de Anna van Burenstraat paste hij diens spijkerbroek en toen hij zich erin gewurmd had (hoe strakker hoe beter) sprak Dirk de woorden die in Jack’s oren zijn blijven naklinken: ?Hij past? je mag hem wel hebben?. In die dagen associeerde je spijkerbroeken nog met Amerika, met Jazz-avonden en existentialistische films. Het waren spannende tijden en om dan je spijkerbroek, het icoon van de nieuwe tijd, zomaar weg te geven, geeft blijkt van een groot hart en een onbaatzuchtige geest. Zo dat is eruit?.
En het enige wat Jack na al die jaren terug kan doen, is deze herinnering ophalen en u aanraden de Huigbrouwerstraat 24 even binnen te lopen om de schilderijen van Rooie Dirk te bekijken. Bij Nacht & Ontij is geen product van vrijblijvend gepenseel, maar schilderwerk van een man die weet waarover hij het heeft.