Wageweg (slot)

Aan de Wageweg was ooit ook de garage van de firma Met te vinden, op de plek waar nu het appartementengebouw met de drie rode gevels staat en dat door de ontwikkelaar van het projectje, de heer Klaas Slot, De Drie Klazen wordt genoemd. Eén Klaas is meer dan genoeg, zou je zeggen. Maar goed, sommige trotse wapenfeiten geven kleur aan een buurt.
Op de hoek van het Torenburg en de Sliksteeg was ooit het oudste café van Alkmaar gevestigd, genaamd de Oude Poorter, het latere vrouwencafé Dynamien waar je als man niet naar binnen mocht omdat er al een heleboel café’s voor mannen waren. Maar ja, in die café’s mochten vrouwen ook naar binnen en dus was dat toch niet helemaal eerlijk van de dames. Soit?
Op de andere hoek, die van de Spanjaardstraat en de Sliksteeg bevond zich ooit een smederij en in de gevel is nog altijd de ‘travaille’ zichtbaar. Dat woord is zo oud, dat het niet eens in de Dikke van Dale te vinden is. Maar een travaille is een houten stellage waarin paarden klem gezet werden om ze te kunnen beslaan. Al die werkplaatsen, pakhuizen, paardenstallen en herbergen zijn in de loop der tijd omgetoverd tot woonhuizen en appartementen en het is inmiddels een gewilde buurt geworden.
Tegenover het proeflokaal van wijnwinkel Het Depot staat het Wallenhuis. Dit is dus zo’n voormalige herberg die is omgebouwd tot woning. Jack herinnert zich nog goed dat het jaren leegstond. Voordat het verbouwd werd, was op de lange gevel en zichtbaar vanaf de Friese Brug, met een spuitbus in grote letters een zin geschreven die door zijn merkwaardigheid voor altijd onder Jack’s schedeldak is blijven hangen. Een rij woorden, net zo krachtig als de zin die in verlichte letters op het stadhuis te lezen staat maar met een klein mankementje: het waren Engelse woorden. Er stond: ‘This wall is available in paperback’. Wie die zin bedacht heeft mag best onze nieuwe stadsdichter worden en gauw de plaats innemen van de tv-genieke Joost Zwagerman, die niet eens in de stad woont waarover hij dicht?

Wageweg (1)

Vorige week dreef een herfstige stemming hem door de binnenstad van Alkmaar. Een groot deel van zijn leven ligt er in die smalle straten zo voor het oprapen.
Op de hoek van de Sliksteeg en de Wageweg bevindt zich het proeflokaal van Het Depot, de wijnwinkel. Heel vroeger deed dit gebouw dienst als bodencentrum. Als wat?? Voor de jonge lezertjes onder u, een bodencentrum was een distributieplek waar vracht wordt overgeslagen. Zoals dat tegenwoordig nog steeds gaat maar dan op veel grotere schaal en ver buiten de stad. Toch lag de vroegere Achterweg (nu Wageweg) in die dagen ook buiten de stad en is er dus eigenlijk niet zoveel veranderd. Het bodencentrum heette ‘De Nieuwe Wagen’ omdat het op de dag van opening nog steeds geen naam had en hun eerste klant in een splinternieuwe vrachtwagen, een novum in die tijd, kwam voorrijden en de dochter des huizes uitriep: ‘Kijk, een nieuwe wagen’. Die anekdote is hem verteld door diezelfde dochter, inmiddels een vrouw op leeftijd, die bij hem langs kwam tijdens de verbouwingswerkzaamheden. ‘Of ze even binnen mocht komen om te kijken?’ En dat mocht natuurlijk. Ze wees hem alle plekken aan die een onuitwisbare indruk hadden achtergelaten; het kolenhok, waarin ze werd opgesloten als straf. Het ‘hossie’ waar ze met haar vrijer stond te zoenen. Het zolderraampje, van waaruit ze in de oorlog een aangeschoten vliegtuig had zien neerstorten boven Heerhugowaard. Enfin, al die herinneringen waar ouderlijke huizen vol mee zitten en waar alleen de bewoner de zwaarte van kent.
Na het bodencentrum heeft het gebouw veel bestemmingen gehad; een gitaarfabriekje, een opslag van oude metalen (Maasdam & Dekker), het privé museum van de Jaro (Jansen Roestvrijstaal). Uiteindelijk viel het in handen van ene Jack die er een wijn-proeflokaal van maakte, waar hij o.a. wijncursussen geeft. Toen hij het kocht van de heer Jansen stond het vol antieke stoommachines, want hij was een verzamelaar van technisch antiek. Nog een jaar lang heeft Jack op de spullen van meneer Jansen moeten passen omdat geen enkel museum interesse had in de loodzware collectie scheepsmotoren en ander industrieel erfgoed. (Wordt vervolgd).

Herfst

Vorige week liet de herfst zich voor het eerst gelden. Korte mouwen werden lang en er werd een extra vestje uit de kast gevist. In de binnenstad van Alkmaar is het begin van de herfst altijd goed te zien op De Dijk, aan de kastanjebomen die daar staan. De eerste verkleuringen aan het blad worden zichtbaar en tussen die bladeren hangen rijpe kastanjes in hun stekelige schil. Straks, bij het eerste windje, zullen ze naar beneden ploffen, openspatten en heel even hun glimmende, bruine huid laten zien voordat ze tot prut gereden worden door nietsontziende autobanden. Als klein protest zullen ze op een motorkap stuiteren van daar geparkeerde auto’s, maar die laatsten winnen altijd en het plaveisel van De Dijk zal bedekt zijn met het witte pulp van de vermorzelde kastanjes. Uiteidelijk zullen ook de bladeren vallen en met een roezelig geluid langs de trottoirband geblazen worden. De herfst komt eraan. Het hangt in de lucht.
Het is tegen vieren als hij over De Dijk loopt. Op dit uur worden voor de ingang van de Achterdam de hoeren afgezet door hun pooiers. In vol ornaat stappen ze uit de auto en zonder hun ‘afzetters’ nog een blik waardig te keuren gaan ze op weg naar hun behoeftige klanten. Zo gaat ’t daar al jaren, met grote regelmaat en even onafwendbaar als het wisselen van de seizoenen.
De Kooltuin ligt er uitgestorven bij. De middeleeuwse schildwacht voor de deur van winkel Mordor (stenen, mineralen en boeddha’s) heeft weinig te doen. En de bomen langs het water staan gelaten te wachten op de dingen die komen gaan. Hij plant zijn armen op de brugleuning en kijkt uit over de gracht. Een dik pak wolken tempert het daglicht en hij denkt, geheel in stijl met de komende verandering van het jaargetijde, aan alles wat hier in deze buurt heeft plaatsgevonden, de mensen die hier in de loop der eeuwen hebben rondgestruind. Hij denkt aan alles wat geweest is en aan alles wat nog komen gaat en ook weer onherroepelijk voorbij zal gaan. Maar de somberheid van die gedachte doet hem onrustig verder gaan, door het smalle Torenburg, richting Wageweg?

Pique du Canigou

Die zondagmiddag wandelde hij door de Markstraat van onze Geliefde Stad en passeerde de reisboekenwinkel die zich daar bevind op nummer twee. In de etalage hing een grote kaart van Frankrijk. Geen gewone kaart, maar een reliëfkaart die ook de hoogtes aangeeft. Rechts op de kaart, de grimmige verhogingen van de Alpen en onderin de puntige band die de Pyreneën heet. Hij bleef voor de etalage staan en zocht naar de plek in het zuiden van Frankrijk waar hij ooit gewoond had en vanwaar hij uitzicht had op de Pyreneën. Nou ja, uitsluitend bij heel helder weer dan …
Jaren geleden was hij neergestreken in het gehucht Cantausel (wat in de taal van de streek ‘vogelenzang’ betekent); een verzameling stenen waarvan slechts drie huizen bewoonbaar waren. Hij leefde daar alleen en onder primitieve omstandigheden. Goed, er was water, er was licht en er was een gasfles. Maar het huisje had geen douche. In de zomer was dat geen probleem omdat hij dan gebruik kon maken van een zelf ontworpen solaire-douche. Dat wil zeggen, hij had een hele lange tuinslang in cirkels op het dak gelegd. Als je de kraan niet te hard aanzette was het eerste water zelfs heet en daarna heerlijk lauw. Hij douchte zich in de open lucht en het water stroomde gewoon weg tussen de stenen. Er was ook geen w.c. in het huisje en je kakte ergens in de vrije natuur. Niet te dicht bij huis uiteraard. Enfin, het huisje had een heleboel niet. Maar het had twee dingen wél. Teweten; een hangmat en een fantastich uitzicht. Die hangmat had hij zelf meegenomen en opgehangen. Het uitzicht kreeg je erbij kado.
Hij woonde er al een paar weken en hij was even het huis uitgelopen. Bij terugkeer in de kamer wist-ie dat hij buiten iets gezien had wat zich eerder nog niet had laten zien. Maar wat? Hij keerde op zijn schreden terug, zocht de omgeving af en toen ineens zag hij het. In de verte rees de Pique du Canigou uit het dal op, bijna 2800 meter hoog en bedekt met eeuwige sneew. Zo machtig en groots alsof het een luchtspiegeling betrof en toch zo dichtbij dat hij even de neiging kreeg die reus over z’n witte kuif te aaien.
Dat was allemaal lang geleden, maar daar voor het raam van de boekwinkel had hij opnieuw dat magniefieke uitzicht op de witte kap van de ‘Canigou’ en kwam alles weer terug; de geur, de kleur en nimmer sleur. Sommige plaatjes zitten voor altijd achter je voorhoofd.