Bierkade

Om de herinrichting van de Bierkade is veel te doen. Zoals veel ‘herinrichting’ ziet het resultaat er nogal braaf uit. Er is artistiek plaveisel gebruikt waarin een paar keurige kastanjebomen zijn gepland. Tussen de bomen zijn bankjes geplaatst waarop je kunt gaan zitten. Dat doet-ie.
Als planologen zich over een herinrichting buigen worden er eerst tekeningen en maquettes gemaakt van hun plannen. In die mooi-weer bedenksels zijn steevast wat bankjes en boompjes ingebracht. En om dat alles nog meer op te leuken zitten er ook alvast poppetjes op die bankjes naar elkaar te lachen. De straten zijn ingekleurd met de blije bewoners van de nieuwe wijk, het beloofde stadsdeel of, in het onderhavige geval, de flaneurs op de heringerichte Bierkade.
Als Jack daar zit is het weer net zo mooi als op die wervende plaatjes; niet al te uitbundig warm, een lucht vol schapenwolkjes en een lichte bries. In het water drijft een koord met gele ballen om de boten van de kade weg te houden. In vijf talen wordt verwezen naar een informatienummer om te vragen waar je wél kunt afmeren. Er wordt ook gewaarschuwd om niet te zwemmen, vanwege ‘onderwater obstakels’. Een paar futen negeren die waarschuwing en duiken hier en daar naar voedsel. Ze zijn op weg naar de overkant van het kanaal. Een plezierjachtje vaart voorbij. Het bootje heet De Dolfijn en is niet meer dan een drijvende huiskamer. Aan dek staat een vrouw met een videocamera. Ze filmt de boten aan het Zeglis, de Accijnstoren en de mooie gevels van de Bierkade. Ze filmt de man die daar op een bankje zit met een kladblok op schoot en die terugkijkt. Een man die voorheen op de vlonder achter de Accijnstoren zat met zijn rug tegen haar eeuwenoude steentjes, als hij even alleen en uit het zicht wilde zijn. Maar die vlonder daar is geschrapt bij de herinrichting en nu is hij veroordeeld tot het bankje. Veroordeeld om plaats te nemen in dat brave decor. Voer voor planologen, voelt hij zich. Enfin, het weer is niet onaardig vandaag.

Reacties

Op het stukje van vorige week met de titel ‘Bennie en Frank’ kwamen enkele reacties. De roman ‘Poor No More’ komt daarin ter sprake en het was Jack onbekend wie daar de auteur van is. Meneer J. de Boer uit Alkmaar mailde dat dit boek is geschreven door ene Robert Ruark (1915-1965). Hij vertelt er nog bij dat Ruark één van de bekendste schrijvers was in de naoorlogse periode, maar nu bijna geheel vergeten. Bedankt voor uw reactie…
De tweede en mondelinge reaktie kwam van de heer P. Schuit, die ook de hang-out in de Hema gebruikte om op de hoogte te blijven waar er in de aankomende weekends een feest zou plaatsvinden. Zijn vraag luidde: “In je stukje is er sprake van iemand die zich aanmeldt als werkzoekende bij de oliemaatschappij die tussen Alkmaar en Bergen naar gas boorde. Wie was dat?
“Henk van Gool”, antwoordde Jack.
“Ik was daar toen ook bij”, liet hij weten. “Piepers rooien verdiende te weinig en toen hebben wij ons verhuurd aan Amoco. Dat leverde meer op…”
“Was jij daar ook bij?”, verbaasde Jack zich.
“Ik zat toen op de academie en wilde fotograaf worden. Ik heb in de Hema ook veel foto’s van ons groepje genomen…”.
“Dat meen je niet!”, riep Jack uit. “Die wil ik dan graag een keer zien. Dat zijn inmiddels tijdsdocumenten geworden…”.
Vooral door die laatste vraag kwamen er weer allerlei herinneringen boven, maar vooral het gevoel daarbij. Het gevoel twintig te zijn en dat je leven zindert, dat alles nieuw is en dat je denkt dat er aan je nieuwsgierigheid nooit een einde komt. Dat de hele wereld van jou is en iedereen die daar anders over denkt moet ophouden met zeuren. En dat je je eigenlijk nooit druk maakt over geld – het is er, of het is er niet – en dat ‘Nooit Meer Arm’ vooral een roman was om bij weg te dromen, want dat het met hun levens nog alle kanten op kon. Hoe rijk kan je zijn…

Bennie en Frank

Ze zaten in de lunchroom van de Hema met uitzicht op de Langestraat en spraken erover hoe ze in één klap stinkend rijk konden worden.
“Laten we een bank beroven”, opperde Bennie.
“Weet je wat ik niet snap?, lawaaide Frank, “waarom 65-plussers nooit een bank beroven… Als ze ‘m al pakken is de kans groot dat ze ‘m zo weer laten lopen omdat-ie wat mankeert. In dit land word je niet meer veroordeeld na je 65e. Je krijgt gewoon een speciale behandeling die heel veel lijkt op het leventje in een bejaardentehuis…” Hij keek brutaal om zich heen naar de anderen aan het tafeltje.
Zo begint een verhaal dat Jack ooit, lang geleden, schreef toen hij zelf nog zo oud was als Bennie en Frank. Ze lazen in die dagen een boek (dat deed je toen nog!) waarvan alleen de titel ‘Nooit Meer Arm’ hem is bijgebleven. Zelf hadden ze ook geen nagel om aan hun gat te krabben en ze groepten bijeen in de lunchroom van de Hema waar je soms, als je te weinig verteerde, weggestuurd werd. Rijk en beroemd wilden ze worden, allemaal. Niet dat ze daar veel voor wilden doen, nee, het zou hen gewoon moeten AANWAAIEN, een term van Frank’s moeder. “Denk je soms dat het je komt aanwaaien”, riep ze vaak. “Ja, dat denk ik”, riep hij dan even hard terug.
Maar op een middag had een van de jongens gemeld dat hij was aangenomen bij de olie-maatschappij die tussen Alkmaar en Bergen naar gas boorde. Hij had daar gewoon laten weten dat hij in de markt was. Even stokten de grote verhalen aan het tafeltje, ze voelden zich ineens tamelijk overbodig en jaloezie stak de kop op.
“Tis alles of niks”, bromde Bennie toen de oliewerker was weggegaan en waarschijnlijk ook niet meer zou terugkeren. “Of ik blijf arm, of ik word stinkend rijk…”
“Die brave middenmoters zijn altijd de klos”, viel Frank hem bij. “Die betalen uiteindelijk alles. Die zijn er voor de armen en voor de rijken…”.

Waar gebeurd…

Bij hem thuis, in de schoot der familie, worden veel van Jack’s verhalen met een grote korrel zout genomen. Op z’n minst overdrijft hij schromelijk, vinden ze. Zijn verhaal dat hun oma zaliger altijd haar zondagse jurk aantrok voor de televisie, omdat ze dacht dat de t.v. kon terugkijken, wordt steevast weggehoond. Zelf vindt Jack dit een prachtig verhaal en hij weet zeker dat het waar is. Maar volgens de rest van de familie is deze herinnering honderd procent apocrief. Alleen zijn artistieke broer gelooft hem altijd. Daarom kunnen ze zo goed opschieten met elkaar. Zo goed, dat ze zelfs samen op vakantie kunnen gaan.
Vroeger was dat wel anders… Vroeger hadden kleine Jack en zijn kunstzinnige broertje altijd en eeuwig ruzie. Er was sprake van een permanente staat van oorlog. Eén van de zeldzame keren dat dit niet het geval was, waren ze op weg naar school. Net hadden ze een grote ruzie bijgelegd en elkaar toevertrouwd, dat ze ondanks alles broers waren en dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met die constante strijd. Arm over arm liepen ze naast elkaar, blij met dat vreedzame moment.
“Zal ik je een verhaal vertellen?, stelde kleine Jack voor met warme stem.
“Ja, dat is goed”, innigde zijn broertje terug.
En kleine Jack ving aan: “Er waren eens twee jongens. De een had een nobel karakter en de andere was een mispunt en een kwelling voor zijn omgeving…”.
Ze liepen vanaf de Bergerweg richting centrum, naar de Wilhelminaschool in de Doelenstraat. En kleine Jack vertelde verder; dat die twee jongens eigenlijk broertjes waren en dat de nobele van de twee heel veel voor z’n jongere broer over had, maar dat die sukkel altijd alles geloofde wat z’n oudere broer hem aan zijn neus hing.
Ter hoogte van de Grote Kerk kreeg zijn broertje eindelijk door dat de vertelling hen beiden betrof en hij ontplofte van woede. Witheet rukte hij zich los uit de broederlijke omarming. Ergens tegen de muur van de Grote Kerk lag een hoop bakstenen waar zijn broertje -nooit anders dan verbaal agressief- op af sprintte en kleine Jack heeft moeten rennen voor zijn leven. Waar gebeurd.