Voorpret

Hij gaat net als drie jaar geleden opnieuw naar Syrie« en weer in het voetspoor van zijn artistieke broer. Afgelopen weekend begon de voorpret met een door zijn schoonzusje bereide Arabische maaltijd. Ging hij vorige keer alleen, nu gaan ze ‘en famille’. De foto’s van die vorige keer komen ter tafel om zijn dochter alvast te wennen aan de fascinerende wereld van het Midden Oosten. En ze zal een lijstje doorgemaild krijgen met de meest voorkomende Arabische woorden, zodat ze daar iets kan vragen zonder het antwoord te verstaan. Nou ja…
Ook die foto’s zijn genomen door zijn schoonzusje, de schat, en daarna keurig ingeplakt en van een onderschrift voorzien. Het is een schande, maar zelf neemt hij eigenlijk nooit foto’s, laat staan dat-ie ze dan inplakt en er iets onderschrijft. Als-ie weg is probeert hij alle indrukken op zijn netvlies vast te leggen en heeft-ie geen tijd en zin om door het oog van de camera naar zijn omgeving te kijken. Het is net alsof je de wereld dan bekijkt door een spiekgaatje in de deur; je mist de geur en de geluiden. Toch is-ie altijd jaloers op mensen die met hun foto’s structuur aanbrengen in hun reis. Dat heet napret. Bij voorpret hoort een flesje wijn van het betreffende land. Maar Syrische wijn is hier niet verkrijgbaar. Gelukkig maar, want dat spul is ondrinkbaar. De wijn van de buren (Libanon) is daarentegen vaak van excellente kwaliteit. Maar bij de Arabische gerechten van die avond en de bijbehorende foto’s dronken ze een heerlijke volle Marokkaanse wijn. Niks mis mee, niet met de wijn en niet met de hele avond.
Vertel je rond dat je naar Syrie« gaat, dan zijn de waarschuwingen niet van de lucht. Ook Jack’s oude moeder gelooft alles wat er op de televisie langskomt en bij elke bomaanslag belt ze op om te controleren of de telefoon nog wel wordt opgenomen. Nog altijd is de beste reisverzekering, het meenemen van je eigen bom aan boord van een vliegtuig. De kans dat een ander ook een bom meeneemt is statistisch gezien namelijk te verwaarlozen. ‘Geintje!’, moet er dan onmiddellijk op volgen. Want ook grappen zijn verdacht in deze ‘terreurige’ tijden.

Opa vertelt

In het ‘stukkie’ van vorige week werd de Beatrixschool genoemd. Schrijvend aan die column schoot hem van alles te binnen omtrent de tijd, plusminus 1955, dat hij daar op school zat.
Zo hoefde je toen als kind nog niet naar school gebracht te worden. Je liep er gewoon zelf naar toe. De Beatrixschool lag midden in de weilanden en de Vondelstraat was niet meer dan een karrenspoor. Vlakbij school werd je soms opgewacht door een kerel op een bakfiets die vodden inzamelde. En dan niet voor een goed doel. Nee, dat deed die man om geld-te-verdienen. Voor een kilo vodden kreeg je een molentje waarvan er een aantal in de zijkant van de bakfiets gestoken was en die in de zomerse wind ronddraaiden om je jeugdige hebzucht te wekken. Vodden-voor-een-molentje, heette dat.
Maar wat het meeste indruk maakte in die dagen was het verschrikkelijke ongeluk dat een van de leerlingen van de school overkwam. Tijdens het aanleggen van de Vondelstraat reed een vrachtwagen met een zware wals eraan vast op en neer om de ondergrond in te klinken. Een jochie van twee klassen lager -z’n zusje zat bij de Kleine Jack in de klas- was op de vrachtwagen geklommen, eraf getuimeld en daarbij onder die zware wals terechtgekomen. Toen onze protagonist langs de plaats des onheils liep, had het onderwijzend personeel al een groot laken over het stoffelijk overschot gelegd, maar hij had gezien dat het laken niet toereikend was om wat er van dat joch resteerde af te dekken. De hele school was wekenlang van slag.
Zo was de Vondelstraat in zijn herinnering op de kaart van Alkmaar gekomen. Nu, bijna vijftig jaar later, rijdt hij veelvuldig over de Vondelstraat, langs diezelfde plek en denkt hij nog wel eens aan dat afschuwelijke voorval en dat onfortuinlijke binkie. Dan ziet hij behoedzame moeders en vaders hun kinderen naar school brengen omdat nu niks en niemand nog is opgewassen tegen die stroom van alles vernielende wielen.
Ach Alkmaar…, je was toen een overzichtelijk dorp en iedereen reed nog gewoon op de fiets, zodat al die kaaskoppen deel uitmaakten van het beschermde stadsgezicht. Wat is er van je geworden…

Trage slak

Kleine Jack liep dagelijks van de Spieghelstraat (zie vorig stukje) naar de lagere school aan de Vondelstraat en weer terug. Zijn veel te grote klas – ook toen al – was opgedeeld in twee segmenten: een linker en een rechter, een trage en een snelle helft. En u voelt het al; onze Tere Ziel hield zich op in het langzame deel en werd daar constant aan herinnerd. Jij Bent Een Langzame Leerling, leek er in grote letters boven de ingang van het leslokaal te staan.
Hopeloos ongelukkig voelde hij zich op die school, gerund door meester Vrees die zelf de zesde klas onder zijn hoede had. Maandagochtend het eerste uur was het ‘versje’. Je kon dan zomaar overhoord worden op een psalm of een gezang van een aantal coupletten, dat voor het weekeinde was opgegeven en je min of meer foutloos moest kunnen opzeggen. Kleine Jack zat nog niet in de zesde, maar zijn eigen meester moest van ver komen, helemaal uit Drente, en was het eerste uur van de week altijd afwezig. Dus nam meester Vrees diens klas er ook even bij en overhoorde het ‘versje’.
Tussen meester Vrees en Kleine Jack is nooit een hartelijke band ontstaan. In tegendeel, meester Vrees, hoofd uitvoerder van het twee-snelheden-beleid, vond hem een trage slak en misschien was dat ook wel zo, maar dan nog… Eigenlijk was Kleine Jack bang van meester Vrees.
Op een maandagochtend, toen hij zijn versje weer eens niet zonder haperen kon opzeggen en zich bovendien in al zijn zenuwen onhandig gedroeg, werd hij door meester Vrees de klas uitgetrapt. Letterlijk, met zo’n schoen van een puntig model dat toen in de mode was. Waar was zijn eigen meester toch? Waarom moest die stomme trein er zo lang over doen om helemaal uit Drente te komen..?
Jaren later, toen meester Vrees afzwaaide na vijfenveertig jaar trouwe dienst in het onderwijs, verscheen er een interview met hem in Het Lokaaltje. Daarin vertelde hij met trots over zijn leerlingen en in het bijzonder over twee die naam gemaakt hadden in een schrijvend vak, te weten: Rob Bakker, de te vroeg overleden voorzitter van de internationale journalistenvakbond en ene Jac. de Feyter die een heuse roman had laten verschijnen bij uitgeverij Contact te Amsterdam. Toen hij dat artikel las, was het alsof hij opnieuw die trap onder zijn kont voelde, want hoe kon iemand geuren met iets waar hij part noch deel aan had gehad…

Spieghelstraat (slot)

Laatst was hij nog een keer in de Spieghelstraat. De helft ervan bestaat niet meer. Gesloopt. Maar herinneringen laten zich niet slopen.
Hij ging het trappenhuis binnen waar ze als kinderen over de trapleuning naar beneden gleden. Z’n broer die z’n hoofd tussen de spijlen van het traphekje had gestoken en moord en brand schreeuwde omdat hij z’n kop niet meer los kon krijgen. Iedereen in paniek. Wat was alles klein en beduimeld. Indertijd was de trap bij toerbeurt schoongemaakt, herinnerde hij zich. Dat ging in overleg en dat ging altijd goed. Het trappenhuis was van iedereen. Nu leek het van niemand meer te zijn; een verwaarloosde ruimte zoals de meeste andere openbare ruimtes tegenwoordig. Maar ja, vroeger was sex vies en de lucht schoon. Nu was dat andersom. Misschien word ik een ouwe brompot, kwam het in hem op, die alles ‘van-vroeger’ beter vindt. Hij begon zich ongemakkelijk te voelen in het kale trappenhuis. Straks doet iemand de deur open en vraagt wat ik hier te zoeken heb en dat valt niet uit te leggen in een paar woorden.
Hij ging weer naar buiten en keek verder rond in z’n ‘eigen’ buurt. Toen viel zijn oog op het straatnaambordje. Het bleek dat de heer Spieghel leefde van 1549 tot 1612 en dat hij in het dagelijks leven koopman en letterkundige was geweest. Nooit geweten. En dat waren nog wel beroepen die hijzelf ook probeerde uit te oefenen en wat niet de makkelijkste combinatie is. Maar bij Hendrick Laurensz Spieghel ging dat blijkbaar goed samen zodat er een straat naar hem vernoemd was. Jack vroeg zich af, terwijl hij naar het flatje keek waar ze als gezin die turbulente jaren in doorgebracht hadden, wat er met dat straatnaambordje zou gebeuren als ook deze kant van de Spieghelstraat zou worden gesloopt. Zou meneer Spieghel zoveel indruk achtergelaten hebben dat er ergens anders in Alkmaar opnieuw een straat naar hem werd vernoemd. Of zou uiteindelijk alles en iedereen in vergetelheid raken, inclusief deze herinneringen?