Spieghelstraat (2)

De jaren in de Spieghelstraat maakten diepe indruk op ons boertje-van-buuten. Van het orderlijke dorp kwam hij terecht in de wanorde van de wijde wereld. Er liepen gekleurde mensen door de straat; oude indo-vrouwtjes in te grote winterjassen alsof ze verdwaald waren in de verkeerde film. Er woonde zelfs zo’n bruine familie in hun trappenhuis zodat tegen etenstijd de spruitjeslucht werd verdreven door de meest exotische geuren, die je in een flits meenamen van de Langedijker Koolvelden naar de Gordel van Smaragd. En in de Runstraat, toen de achterbuurt van Alkmaar en pal naast zijn eigen straat gelegen, was een familie die de carnavalskraker Er Staat Een Paard In De Gang moet hebben bedacht, want daar stond inderdaad een paard in de gang gestald en kropen de bewoners via het raam in en uit het huis. Daar woonden vervuilde kinderen met ongekamde haren dat als een plak op hun hoofd zat alsof ze een petje op hadden. Meiden die onder hun jurkjes geen onderbroek droegen en met die jurk over hun knieën getrokken gewoon overal neerhurkten als ze nodig moesten en een natte plek op het plaveisel achterlieten bij het verdergaan. En o wee, daar woonden ook kinderen die niet in God geloofden. Die Niks geloofden, zodat ze als ze doodgingen zouden branden in de hel. Geloof toch in God, moedigde hij ze in gedachten aan. Want wie wil er nou voor eeuwig branden in de hel. In het dorp waar hij vandaan kwam hoorde iedereen bij een kerk. Daar had je katholieken en protestanten die de hele week samen optrokken behalve op zondag, dan ging ieder zijns weegs. Natuurlijk hadden ‘die roomsen’ niet het ware geloof, werd hem geleerd. Toch zou er voor hen vast nog wel een plekje overblijven in de hemel, vermoedde hij, want die was groot zat. Maar de kinderen uit de Runstraat waren verdoemd. Wat vreselijk, want sommigen waren best aardig en je gunde ze de hel gewoon niet.

Spieghelstraat (1)

In de zomer van 1953 hobbelde de verhuiswagen van de firma Plomper uit Bergen over een toen nog smalle en met gele klinkers bestrate Schermerweg Alkmaar binnen. Achterin de auto bevond zich hun huisraad en voorin, naast z’n moeder en z’n broertje, zat Jack. Vanuit de Langedijk verhuisde het gezin (z’n vader en de oudsten waren hen op eigen gelegenheid vooruit gegaan) naar de grote stad en het was voor het eerst in zijn leven dat hij Alkmaar zag, nog klein en overzichtelijk.
De verhuiswagen reed linea recta van Melkpad 4 te Zuid Scharwoude naar de toen nog nieuwe flatjes in de Spieghelstraat. Was er groter contrast. In het dorp was er naast het woonhuis een koolschuur geweest en een groot erf. Het nieuwe adres in de stad had een trappenhuis en een piepklein balkonnetje, waar nog een meter afgesnoept was voor het kolenhok. Koolschuur – kolenhok: dat waren de nieuwe verhoudingen. Ze hebben er ongeveer vijf jaar gewoond, voordat het koophuis in de Blaeustraat vrijkwam en ze daar naartoe verkasten.
Boven hen in de Spieghelstraat woonde de rumoerige familie Naber en hij raakte bevriend met hun zoon Jelle. Meneer Naber was katholiek en zijn vrouw helemaal niet, maar ooit was afgesproken dat ze hun kinderen rooms zouden opvoeden. Mevrouw Naber maakte dat niet veel uit, als zij zichzelf maar niet hoefde te bekeren. Ze was een fenomeen en beheerste menig gesprek aan tafel bij haar onderburen. “Waar ze nou toch weer mee aankwam”?, opende Jack’s moeder dan het gesprek. “Nou”?, lokte zijn vader verlekkerd uit. En dan begon zijn moeder: “Vorige week stootte ze de pasgekochte madonna om tijdens het stofafnemen. Arm eraf. Die heeft ze er toen heel nauwkeurig weer aangezet. Maar vandaag ontdekte meneer Naber dat z’n lievelingsstuk gelijmd was en toen hij zich daarover beklaagde, riep zijn vrouw uit: “Nou, dan heb je je wat in je handen laten stoppen”?. En zijn moeder besloot met: “Morgen gaat meneer Naber met zijn madonna terug naar de winkel om verhaal te halen”.
Zijn vader sprak voor de zoveelste keer schande over het gedrag van mevrouw Naber, maar echt verontwaardigd leek hij ook weer niet, eerder lichtelijk geamuseerd. Stadse fratsen, zo noemden ze dat bij Jack thuis aan tafel en daar voelden ze zich als landelijke nieuwkomers ver boven verheven.

Bezwaarde plekken

In onze taal kennen we de term ‘Schuldig Landschap’. Voor wie dat uitgelegd wil hebben: het betreft hier een stukje van de aarde waar ooit een tragedie van onmenselijke omvang heeft plaatsgevonden. Denk hierbij aan de plek waar een concentratiekamp heeft gelegen of velden waar legers elkaar troffen en waarbij duizenden doden vielen. Als je zo’n gebied betreedt is het alsof die tragische gebeurtenis als een dichte damp boven het landschap is blijven hangen en je kil omsluit of je wilt of niet. Enfin, genoeg uitgelegd…
Op wat kleinere schaal kent Alkmaar ook een aantal van die Bezwaarde Plekken. Een ervan ligt tegenover De Bloembinderij, langs het fietspad vanaf de Friesebrug de stad in. Daar is een stalen reling. Daar is een steil aflopend talud. Daar is een betonnen rand en daar is het bruine water van het Noord Hollandskanaal. In dat water staat een dukdalf van vier palen, elk met een witte kop. Met z’n vieren hebben ze gezien hoe daar op een zomeravond een zwarte jongen onschuldig liep te wandelen en hoe hij een groepje rumoerige jongens trof die hem begonnen te treiteren en uit te schelden. Hij probeerde ze nog te ontwijken, maar kon ze niet ontlopen. Er werd geduwd en getrokken en het joch – hoe oud was hij helemaal? Twintig? Tweeëntwintig? – viel over de stalen reling, het talud af en tuimelde in het eerder genoemde bruine water. Hij had nooit leren zwemmen, want in het land waar hij vandaan kwam had je amper drinkwater. Hij riep om hulp maar niemand hoorde hem. Het Alkmaarse dukdalf zag hoe het groepje joelend verder trok en hoe de jongen spartelde en de betonnen rand te hoog was voor hem en hoe hij uiteindelijk recht onder hun ogen verdronk zonder dat ze een vinger naar hem uitstaken.
De plek is kaal en winderig. Aan de overkant zijn de bomen gekapt en staan werktuigen klaar om straks de bouw van de tweede Friese Brug te beginnen. Er staat een simpel houten paaltje in de grond waaraan je een bootje kunt vastleggen.
Knip deze column uit en prik hem vast aan het paaltje uit eerbetoon. Denk nog eens aan dat zwarte joch als je langs die plek fietst, aan die nieuwsgierige jongen die de trein nam ergens vanuit het midden van ons land, gewoon omdat hij een keer Alkmaar wilde zien, en niet om er te sterven.

Grote meid

Eigenlijk mag hij helemaal niks meer over zijn dochter schrijven. Dat mag niet meer van haarzelf, omdat ze op school of daarbuiten niet meer wil worden aangesproken op de schrijfsels van haar vader. Ze heeft haar eigen leven, vindt ze en haar vader moet daar vanaf blijven.
Ze is al GROOT, vindt ze.
Ze hoeft nergens meer naar toe gebracht worden, vindt ze ook. Ophalen mag nog net wel, maar dan mag hij niet binnenkomen en al helemaal niet in de hal van haar school of van het een of andere feestgebouw gaan zitten wachten. Nee, hij moet beslist in de auto blijven zitten totdat ze uit zichzelf naar buiten komt. En dan deelt ze hem na een derdegraads verhoor mee dat het ‘leuk’ was. “Alleen maar leuk?”, waagt hij nog aan te dringen.
“Start de auto nu maar”, zegt ze nors, met haar aandacht bij degenen die het gebouw verlaten waar ze zojuist uitkwam.
Het zijn barre tijden voor vaders van meiden op haar leeftijd. Het kan nog jaren duren voor ze normaal aanspreekbaar is en hij weer de held is van weleer; de man die haar meetorste op zere schouders over buitenlandse markten, met haar de kinderboerderij bezocht, haar in het kinderzitje meevoerde Alkmaar uit de polder in en haar voorlas voor het slapengaan.
Nee, mevrouw heeft hem nu echt niet meer nodig. Nou goed, hooguit voor wat zakgeld en waag het niet om te vragen wat ze er mee gaat doen. “Je geeft het of je geeft het niet”, antwoordt ze dan brutaal.
Toch zit achter die stoere praatjes nog steeds dezelfde lieverd van toen en is ze ook nog steeds het favoriete onderwerp voor zijn stukjes, die zich makkelijk laten schrijven omdat al haar perikelen hem na aan het hart liggen. Misschien moet hij voorstellen die onderwerpen van haar te kopen om haar alvast enig ondernemerschap bij te brengen. “Jij krijgt van mij extra zakgeld voor elk stukje dat ik over je mag schrijven”. Uns horen wat ze daarop te zeggen heeft.