Abbé Pierre

Een paar weken terug meldde de televisie het overlijden van Abbé Pierre, de Franse priester die zich het lot aantrok van de Parijse clochards en samen met hen een organisatie opzette onder de naam Emmaeus. Die organisatie is zoiets als de Kook hier in Alkmaar, maar dan uitgebreider. Het biedt zwervers een dak boven hun hoofd en zet ze aan het werk met het verzamelen van oud papier, lompen en metalen en met de verkoop van curiosa in bric á  brac. Emmaeus werd/wordt gerund door clochards, met hier en daar een idealistische vrijwilliger (responsable) als sympatisant.
Lang geleden was Jack zo’n vrijwilliger die zich uit idealistische overwegingen had aangesloten bij de club van Abbé Pierre. Hij herinnert zich zijn beweegredenen nog maar al te goed. Ooit, zo dacht hij, zullen mijn kinderen vragen: “Pa, wat heb jij gedaan om de wereld te verbeteren”? En als je dan alleen aan jezelf gedacht hebt, zit je daar mooi met een mond vol tanden en word je bekeken als het sukkeltje van de dag. Hij was toen een jaar of tweeëntwintig en kinderen waren nog in geen velden of wegen te bekennen.
Inmiddels heeft hij een zoon en een dochter. Z’n dochter (bijna 14) zit naast hem op de bank als het bericht van het overlijden van Abbé Pierre op de buis verschijnt.
“Die man heb ik ooit ontmoet”, zegt hij meer tegen zichzelf dan tegen zijn dochter.
“Wie is dat dan, Pap?”
“Dat is een Franse priester die opkwam voor clochards en waar pappa een poos voor gewerkt heeft”
“Wat zijn clochards?”
“Dat zijn daklozen en zwervers”
“En daar heb jij mee gewerkt?”
“Ja”
“Pap?”
“Ja”
“Mag ik straks even naar het andere net? Daar komt Onderweg naar Morgen?”
“Tuurlijk kind”.

Bergertunnel

Een paar weken geleden, om precies te zijn op 3 januari j.l., werd naast deze column in de rubriek ‘Terugblik’ het jaar 1956 belicht en wat er toen zoal in Alkmaar gebeurde. In de maand juli van dat jaar, zo vermeldt het artikel, ging de Bergertunnel open voor het verkeer en was het daar gedaan met de lange wachttijden voor de spoorbomen. Een heugelijk feit.
Jack herinnert zich die dag nog goed. Zelf woonde hij toen in het Blaeustraat-kwartier, er vlak naast, en de buurt hield haar adem in bij het gereedkomen van Alkmaars eerste en heuse tunnel. De officiële opening werd verricht door het voltallige stadsbestuur, dat na het doorknippen van het gebruikelijke lintje als eerste met de auto door de tunnel zou rijden. Ach ja…
Bij Jack in de buurt woonde meneer Grootanus, die zichzelf altijd geweldig belangrijk vond. Als jonge Jack en zijn vrienden langs z’n huis liepen zagen ze hem samen met zijn vrouw in de huiskamer zitten onder een groot en parmantig schilderij, voorstellende de heer Grootanus zelf. Het was alsof meneer Grootanus, die in het dagelijks leven vertegenwoordiger was voor Klok-zeep, daar alleen woonde en dat zijn vrouw voor spek en bonen meedeed.
De kinderen van meneer Grootanus (zijn vrouw laten we voor het gemak even buiten beschouwing) moesten ook allemaal belangrijke mensen worden. Er was geen tijd om buiten te spelen, want er moest hard gestudeerd worden om hogerop te komen in de witte boordenwereld; witter dan Klok-zeep ze ooit kon wassen.
Waarom wordt dit allemaal verteld? Omdat nu juist meneer Grootanus het plan had opgevat om als tweede met zijn auto, vlak achter die van de notabelen, door de tunnel te rijden. Op zijn eigen deftige wijze had hij hier en daar laten weten wat zijn plannen waren en zich grondig voorbereid: een vrije dag genomen, de tijden gecheckt, enz. Op de dag zelf had hij zich met z’n wagen naar voren gemanouvreerd tot vlak achter de auto met hotemetoten. En het is hem uiteindelijk gelukt om als eerste Alkmaarse burger door de Bergertunnel te rijden!
Het is altijd mooi wanneer iemands dromen uitkomen. Die van meneer Grootanus kwamen uit, want ook zijn kinderen zijn allemaal belangrijk geworden. Maar ook weer niet zo belangrijk als hijzelf, want dat kan haast niet.

Laatste ritje

Alle gangen in het MCA leken op elkaar, maar uiteindelijk vond hij kamer 617. In het schemerige vertrek zat zijn vader scheefgezakt in een zitkarretje voor het bed, z’n weekendtas als een trouwe metgezel aan zijn voeten. Jack schrok toen hij hem zo zag zitten. Nog altijd voelde hij zich een jongetje in de nabijheid van zijn vader, maar wat hij aantrof in het karretje was bijna verschrompeld en in niets meer de weerbare man van voorheen. Hij boog zich ongerust voorover (leefde hij nog wel?) en toen hij hem hoorde ademen maakte hij hem wakker.
“O, ben jij het”, schrok z’n vader op.
Jack hielp hem rechtop zitten. Er verscheen een verpleegster, die de weekendtas op de treeplank van het karretje zette. Z’n vader zocht in zijn zakken en gaf haar een stevige fooi, die ze zonder ernaar te kijken wegstopte in de zak van haar schort. Ze bedankte hem met een zakelijke stem. Geld heeft nu nog minder waarde voor hem dan voorheen, dacht Jack en hij keek vertederd op hem neer.
Hij duwde z’n ouwe heer voor zich uit door die eindeloze gangen. Zo lopend, met dat vlieggewicht in het karretje, moest hij denken aan de keren dat zijn vader hem in bescherming genomen had, zoals in die stormnacht van februari ’53. Hoe hij wakker was geworden van die angstaanjagende wind en hoe zijn vader hem op de arm nam en geruststelde. In zijn herinnering had die grote, sterke kerel de bulderende wind met zachte stem tot bedaren gebracht, maar van diezelfde man was niet veel meer over en de rollen waren al een poosje omgekeerd.
In de auto naar huis legde Jack zijn hand op de knie van zijn vader; een benige, broze knie. En onder het rijden had zijn vader plotseling gezegd: “Ik zal je dochter niet zien opgroeien… Er klonk oneindig veel spijt door in zijn stem.
En toen had Jack zich vreselijk onbeholpen en verdrietig gevoeld en hij wist niets anders te zeggen, dan dat het leven een soort estafette is en dat het stokje steeds weer wordt doorgegeven. Het klonk vreselijk onbenullig, maar hij wist geen andere woorden van troost te vinden. En de hele weg terug had hij in de tweede versnelling afgelegd, soms hortend en dan weer met een gierend toerental om maar niet zijn hand van die breekbare knie weg te hoeven halen.

Halve Heilige (slot)

Tussen de vorige en deze column ligt een week, maar qua onderwerp ongeveer zestig jaar. Zestig jaar huwelijk van zijn ouders waarin hun verschillen voor het grootste deel werden uitgevochten onder het dak van het ouderlijk huis in de Blaeustraat hier ter stede. Zelfs in politiek opzicht konden ze het niet eens worden met elkaar en vaak hingen er gedurende de verkiezingstijd wervende biljetten van twee verschillende politieke partijen voor de ramen om nog eens extra te benadrukken dat het huis twee meningen herbergde.
Toen zijn ouders uiteindelijk moegestreden naar een aanleunwoning wilden verkassen en het huis moest worden verkocht, wierp Jack zich op als makelaar. Het huis verkopen waarin je bent opgegroeid valt niet mee. Wat moet je vragen voor vervlogen belevenissen waar een ander niets aan heeft.
“Die schoorsteen moet echt weg”, hoorde hij een gegadigde zeggen. De schoorsteenmantel waarop sinds jaar en dag alle familieportretten stonden.Vanuit een ooghoek zag hij zijn ouders ineen krimpen. Iemand anders testte de vloer door er hard op te stampen en weer zag hij zijn ouders schrikken. De vloer, die het toneel was geweest waarop ze hun heftige en ook wel komische teksten op elkaar hadden losgelaten. Maar enfin, altijd tuk op een complimentje van vooral zijn vader, werkte hij zich door al die gevoeligheden heen en deed hij zijn uiterste best een mooie prijs voor de ouderlijke woning te bedingen. “Hier is ook nog een kelder”, toonde hij de aspirant kopers en opende dan bedeesd de deur, bang dat alle herinneringen die daar opgeslagen lagen zouden ontsnappen. Toen hij uiteindelijk een aantrekkelijk bod kreeg op die ‘goed-onderhouden-erkerwoning’ en dat aan zijn ouders voorlegde, kwam zijn vader niet verder dan een minzaam: “Wat een geld”. En zijn moeder, die haar hele leven in competitie met haar zuster verkeerde, zei verguld: “Goh, wat zal Gre daarvan opkijken”. En zo bleef Jack, die niet anders dan zijn complimentje kwam ophalen, met lege handen zitten.
“Oude huizen zijn nu duurder dan nieuwe, wat een dwaze wereld”, zei zijn vader nog en bleef daarmee de Halve Heilige die hij altijd was geweest en waar je als gewone sterveling alleen maar tegenop kon kijken.