Terras

In de Marktstraat hier ter stede bevindt zich een wijnwinkel met een terras waar je een prima glas wijn kunt nuttigen. Dus geen Heineken-wijn zoals op een doorsnee terras, maar een glas echte wijn; wijn zoals wijn moet zijn. Reclame maken voor die zaak mag niet in dit stukje. Maar reclame maken voor een goed glas wijn weer wel. Bij deze dan…
Toch gaan deze regels niet over wijn, maar over mensen. Over het zitten op een terras. In Nederland momenteel volkssport nummer 1. Deze keer gaat het over kijken naar voorbijgangers en het raden met wie je van doen hebt bij de eerste indruk; hun manier van lopen, hun kleren, hoe ze kijken en te achterhalen tot welke stam ze behoren aan de hand van hun tattoos. Of ze van elkaar houden, of juist niet. Of nog erger, dat ze elkaar onverschillig laten. En al die flarden van gesprekken die langskomen koppelt hij, daar zittend achter z’n glas Riesling, aan elkaar tot een en hetzelfde lange gesprek dat mensen over de jaren heen met elkaar voeren. Waar je goed kunt uitgaan! Wat waar te kopen! Het gemopper over parkeren; en dan vooral het gevecht om een goeie plek en het noodzakelijke muntgeld.
Sommige mensen zijn niet zo snel te plaatsen. Dan helpt de plastic tas die ze bij zich hebben een beetje; de tas van C&A, of het papieren zakje van boekhandel Zwaan en Ter Burg. Maar zou iemand die in C&A-kleren rondloopt dan nooit een boek lezen? En zou iemand die een boek leest nooit een dertien-in-een-dozijn broek aan mogen hebben? En hoe verheffend is het lezen van een boek nou helemaal?
Allemaal vragen waar het eigenlijk veel te warm voor is. Nog maar een kelk besteld; en dan niet ‘een-lekker-wijntje’, maar een Goed-Glas-Wijn.
En onderwijl schrijft hij dit stukje en is hij er zo tevreden over dat hij besluit het straks gelijk door te sturen. Een column die er mogelijk bij minder warm weer niet doorheen gekomen zou zijn, want niet alles is goed genoeg. Maar de hitte doet het kritische vermogen smelten. Altijd maar je best blijven doen, ook bij 30 graden of meer, het valt niet mee.

vakantieliefde

‘De eerste week voelde ik me helemaal niet tof. Ik heb nog met m’n eigen huisarts gebeld en wat bleek, ik had een blaasontsteking. Er zat bloed in m’n pies en m’n dokter wist meteen wat eraan mankeerde. Dus lag ik daar vijf van de tien dagen op een Grieks hotelbed. Prachtig weer buiten en ik maar pillen slikken…’.
‘En Paulien?’.
‘Die hield zich groots. Zij kwam op de gedachte om dan maar samen terug te vliegen. Daar hadden we al een afspraak over met de reisorganisatie…’.
‘Wat lullig allemaal…’.
‘Maar kind, ik werd steeds zieker. Pas toen ik weer met m’n huisarts belde en hij me zei met die pillen te stoppen, knapte ik meteen op. Nou ja, en in die laatste week hebben we zoveel meegemaakt. Ik ben stapelverliefd geworden op een Italiaantje…’
‘Een Italiaantje…?’.
‘Ja, hij was daar met een groep vrienden. Wij zaten te eten in een restaurantje bij de haven. Je kent dat wel, met een boulevard ervoor. Zij kwamen ook binnen en toen onze ogen elkaar troffen was het net alsof het plafond naar beneden kwam. Ik was meteen helemaal van de kaart. En hij ook, want we hebben de hele avond naar elkaar zitten loeren. En toen ben ik op hun tafeltje afgestapt en zijn we eigenlijk de rest van de week bij elkaar gebleven… Hij heeft zo’n mooie kop… en dan die ogen…’.
‘Maar ’t is wel een vakantieliefde, toch?’.
‘We sms-en de hele tijd met elkaar. En begin oktober ga ik naar ‘m toe…’.
‘Jij durft. Hoe oud is-ie eigenlijk?’.
‘Tweeëntwintig’.
‘Wat een jonkie’.
‘Ach, ze weten nog niet zo goed wat ze doen, maar ze doen ’t wel de hele nacht”.
‘Wat zeg je dat grappig’.
‘Heb ik uit de Viva. Eigenlijk is ’t een uitspraak van Madonna, maar hij slaat ook op Lorenzo’.
‘Lorenzo… Heet-ie zo?’.
‘Ja’.

Blauwe dop.

De zon scheen heet in het Alkmaarse straatje. Jack was op bezoek bij een kennis. Die kennis had een parasol uit de schuur gehaald, op straat neergezet, en daaronder zaten ze koffie te drinken in de warme wind. Om de hoek van de straat verschenen twee jonge moeders, de ene dropzwart en de andere krijtbleek, die twee chocoladekleurige peuters voor zich uit duwden in een wandelwagentje. De zwarte moeder hield een mobieltje tegen haar oor gedrukt en luisterde aandachtig. De bleke moeder was gewapend met een plastic flesje van het een of andere water. Ze verloor de dop van het flesje, hoorde iets vallen en keek om, maar kon niets vinden.
Ze passeerden de parasol en hij keek hen na. Hij keek naar hun moederlijke heupen die meetrilden op hun tred. Door hun te krappe kleding heen zag hij de vormen van hun minuscule slipjes, die hun heupen nog omvangrijker leken te maken.
Goed.
Een stukje verder, voor de piercingwinkel, bleef het tweetal staan. De bleke moeder liet haar wandelwagentje in de steek en ging naar binnen. De zwarte moeder, haar blik op het hete plaveisel gericht, drentelde in een cirkel om de peuters heen en leek vergroeid met haar mobieltje.
Toen de bleke moeder terugkwam, bleef ze voor de deur in gesprek met de pierceuze, of hoe heet zo iemand? De bleke moeder deed haar shirtje omhoog en prikte met een vinger in haar navel waarin een ringetje zat.
”t Moet eerst even wennen’, zei de pierceuze.
De bleke moeder bleef met een vinger in haar buik duwen. ‘Er komt vocht uit?’, zei ze.
De ander bukte zich nu en bekeek de navel van dichtbij. ‘Kom over twee dagen anders nog even terug’, raadde ze aan.
De zwarte moeder begon haar peuter alvast terug de straat uit te duwen en de bleke volgde haar nu. Ter hoogte van de parasol klapte de zwarte moeder ineens haar mobieltje dicht zonder een woord van afscheid, alsof ze naar muziek geluisterd had en dat nu afgelopen was. De bleke moeder reed dwars over de blauwe dop die ze eerder verloor.
Enfin.
Toen ze de hoek om waren was het straatje weer stil, was er alleen nog de hete zon, die onbarmhartig op de parasol boven hun hoofden scheen.

Alwin (vervolg)

Een poos terug schreef hij enkele stukjes over zijn vriend Alwin; gevlucht uit een Afrikaans land en illegaal in Nederland. Hoe gaat ’t met hem? Niet zo best!
Tijdens een klusje in Amsterdam is hij uitgegleden op een nat steigerdeel, dreigde naar beneden te vallen, maar bleef nog net met één been haken en heeft daarbij zijn knie ernstig verdraaid. Dat u het maar weet.
Jack luistert met open mond naar zijn verhaal. Hoe hij voor het M.C.A. is afgezet en door zijn baas met de draaideur naar binnen is geduwd. Achter die deur is hij opgevangen en in een rolstoel gezet. Er is naar zijn papieren gevraagd. Die had-ie dus niet. Toch kreeg hij een bed en is zijn been in het gips gezet. Af en toe kwam er iemand langs, een zuster of een dokter, voor een snelle blik en een paar woorden. Dat was het wel zo’n beetje. Na een paar dagen mocht hij weer gaan en nu loopt hij op krukken die iemand voor hem geregeld heeft. Werken kan hij niet en zijn inkomsten zijn opgedroogd.
Hij vindt Nederland een fantastisch land. En hij weet zeker dat de God waarin hij vast gelooft het beste met hem voor heeft. Want in zijn bijbeltje staat: Wie niet werkt zal ook niet eten. Hij werkt nu niet en toch wordt hem van alle kanten eten toegestopt, eten dat andere mensen over hebben. En in dit land hebben de mensen heel veel eten over en daarom begrijpt hij niet dat ze toch nog zeuren. Hij begrijpt zoveel niet, ook niet dat Nederlanders moeten betalen voor hun eigen energiebronnen en dat nog doen ook.
‘Betalen voor het aardgas wat in je eigen grond zit?’, herhaalt hij ongelovig.
‘Daar worden alle mensen van betaald die niet werken en toch willen eten’, legt Jack hem uit.
Hij knikt en denkt na. ‘Dit is een ingewikkeld land’, merkt hij tenslotte op.
Ze zitten op een bankje in de straat waar hij woont. Zijn ingepakte been steekt recht vooruit, ernaast liggen zijn krukken en tussen hen in staat een tas met gekregen boodschappen. ‘Jouw land wordt al een beetje mijn land’, zegt hij lachend, doelend op de tas naast hem. Hij pakt er een rol koekjes uit, scheurt het wikkel los en houdt hem Jack voor.