Stappers

Hij is altijd een ‘schoenen-man’ geweest. Mooie schoenen…, ze zijn een sieraad aan de voet. Waar hij op de wereld kwam, hij kocht er altijd wel een paar schoenen. Kwam hij net terug uit Amerika, belde hij aan bij een vriend die, nadat de deur was open gegaan, hem van top tot teen bekeek en uiteindelijk droog opmerkte: ‘Dat schoeisel past niet bij een Nederlands wegdek…’
Zelfs toen hij geen nagel had om aan zijn gat te krabben, was er altijd geld voor dure schoenen. Tis raar maar waar. Ooit woonde hij in Parijs op een studentenkamer ter grootte van een uit de hand gelopen klerenkast, toen hij tijdens een omzwerving door de stad in een etalage van Balley’s (bestaan die winkels nog?) aan de Boulevard du Montparnasse een schoen zag staan waar hij gebiologeerd naar bleef staan kijken, terwijl een grote begeerte in hem opwelde. Hij heeft er eten voor uit z’n mond gespaard, gestempelde postzegels hergebruikt, geld afgetroggeld van iedereen die gevoelig was voor zijn lenige praatjes, maar hij moest-en-zou die adembenemend mooie schoenen aan zijn voeten hebben.
Vorige week overkwam hem dat weer. Dit keer zaten de schoenen aan de voeten van iemand die hij aantrof in de binnenstad van Alkmaar en heeft hij gewoon gevraagd of hij ze eens van dichtbij mocht bewonderen. Dat mocht en er werd meteen bij verteld waar ze te koop zijn. Greve is het merk. Eerlijk gezegd, hij had er nog nooit van gehoord. ‘Van Lier is de prins, Van Bommel de koning en dan is Greve de keizer’, legde de eigenaar van het schoeisel uit. Het zijn prachtige, handgemaakte, halfhoge, su√ęde stappers in een matte cognackleur. Volgende week gaat hij ze kopen en hij verheugt zich er nu al op. Ze zijn duur, maar beneden de tweehonderd euro is er geen goeie schoen te vinden, heeft hij ooit eens opgevangen. Uiteindelijk moet je er een hele dag op lopen en omdat je voeten een heel eind verwijderd zijn van je hoofd heeft een mens de neiging ze te verwaarlozen. Enfin, allemaal argumenten om zijn twee voeten volgende week eens dubbel te verwennen met een paar keizerlijke Greve’s.

Aardig

Afgelopen weken fietste hij vaker dan anders richting Hoefplan om voor zijn bejaarde moeder (92!) te koken. Het eten dat via een bezorgdienst komt is veelal niet te hachelen, vindt ze en daarom maakte hij afgelopen zondag een traditionele aspergemaaltijd voor haar klaar: nieuwe aardappeltjes, witte asperges, ham en ei, overgoten met wat gesmolten roomboter.
Ze volgt zijn stukjes in deze krant en voorziet ze van commentaar tijdens het koken. Ze staat naast hem, steunend op haar rollator. ‘Je schrijft de laatste tijd zo negatief’, moppert ze. ‘Moet dat nou?’.
‘Och’, probeert hij haar aanval te neutraliseren. ‘Vind je?’.
‘De komende keer moet je iets positiefs schrijven’, gaat ze door. ‘Daar worden de mensen gelukkig van…’ Ze houdt zijn verrichtingen in de keuken nauwlettend in de gaten. ‘Minder zout’, commandeert ze.
‘De mensen moeten zelf maar gelukkig worden’, zegt hij en zet de zoutbus terug op de plank.’Dat kan ik niet voor ze doen’.
‘Jawel’. Ze legt haar hand op z’n arm als om hem de goede richting op te trekken. ‘Je moet kiezen in het leven. Je kiest tussen goed en kwaad’, onderwijst ze hem. ‘Dat zout moet niet daar staan. Dat staat altijd op het dienblaadje…’, roept ze er tussendoor. ‘Je kiest voor het goede en daar wordt iedereen om je heen blij en gelukkig van. Heb ik ook altijd gedaan…’.
Hij zet het zout op het dienblad en begint de plakjes ham in dunne repen te snijden .
‘Dunner!’, gebiedt ze. En daarna: ‘Als ik een column mocht schrijven zou ik het wel weten. Ik zou de mensen blij maken, zodat iedereen me aardig zou vinden’.
‘Ze vinden je nu ook al aardig’. Hij doet z’n best om nog dunner te snijden.
‘En jij?’, vraagt ze achterdochtig. ‘Denk erom dat de boter niet aanbrandt!!’.
‘Ik vind je ook heel aardig’, zegt hij zacht.
Ze frunnikt aan haar gehoorapparaat. ‘Wat zeg je?’.
‘Ik vind je ook heel aardig’, herhaalt hij harder. Ineens beseft hij dat hij geen ruzie meer met haar kan maken. Zou ik oud en wijs worden, vraagt hij zich af. Eigenlijk weet hij niet of hij daar blij mee moet zijn als dat zo is. ‘We kunnen zo eten’, roept hij in haar oor.

Prachtig & Prut

Tijd: Maandagmorgen 9.45.
Plaats: Het terras van de Notabeel aan het Waagplein van onze Geliefde Stad.
Uitzicht: De bouwwerkzaamheden van het appartementencomplex aan de Voordam.
Daar zittend op die plek dringt de vraag zich op, wordt een mens vrolijk van dat uitzicht? Antwoord: niet echt.
Zonder in herhaling te vervallen (het onderwerp ligt hem na aan ’t hart) zou hij hier willen beschrijven hoe hijzelf dit uitzicht zou inkleuren. Daar gaan we: aan de linkerkant, daar waar nu het tuttige Oilily-gebouw staat, zou hij hebben gekozen voor helemaal GEEN bebouwing. Wat hem betreft zou daar nu een mooie muziektent hebben gestaan. Aan een plein waar zoveel aktiviteiten plaatsvinden, zou dat niet hebben misstaan.
Over de bebouwing aan de Voordam is veel te doen geweest. Er is naar iedereen geluisterd met als gevolg een saai compromis. Het kan nog enigszins meevallen, maar hij vreest het ergste. Zou het uitzicht vanuit zijn terrasstoel niet veel vrolijkmakender zijn geweest als op die plek was gebouwd naar een spraakmakend ontwerp, een gebouw met allure dat zich zou hebben kunnen meten met bebouwing in steden als Apeldoorn, Zwolle of Utrecht. Iets waarvoor mensen naast de kaasshow ook naar Alkmaar zouden willen komen…
Maar nee, we kiezen met z’n allen steevast een stadsbestuur dat liever op de centjes let en met projectontwikkelaars in zee gaat die nu eenmaal altijd (dat is ze niet kwalijk te nemen) een budget hebben waaraan ze zich graag houden en waardoor er steeds meer van hetzelfde gebouwd wordt in onze historische binnenstad. Dat betekent uiteraard niet dat we terug moeten naar de tijd van de pittoreske geveltjes. Wel naar bebouwing die nu misschien gewaagd(!), maar over honderd jaar ook historisch zal zijn…
Soms gaat ’t goed, zoals de verbouwing van de oude Vondelschool. Ernaast staat dan weer van die lullige nieuwbouw. Prachtig & Prut, naast elkaar.

Verse eieren

Verse eieren 1.50, stond er. Aan het hek hing een kist. Je moest het geld in een bakje leggen en dan kon je de eieren meenemen.
Jack liep door de Egmondse duinen. Het helmgras werd plat tegen het zand geblazen door een straffe storm. Achter het hek bevond zich een volkstuin (duintuin in dit geval) waarin iemand aan het schoffelen was. Omdat het maandagochtend was, riep hij voor de zekerheid: ‘Ook vandaag verse eieren?’ De tuinman wees naar zijn oor en kwam naderbij. ‘Zeg ’t nog es?’.
Allebei hadden ze zin in een praatje en dan ook nog eens over het hek heen, alsof ze Buurman & Buurman speelden. Onderwijl scharrelden de kippen om de tuin heen in heel veel vrije natuur, dus die eitjes onder Jack’s arm moesten wel kraak-vers zijn.
‘Geen last van konijnen?’.
‘Nee, die zijn hier niet’.
‘Volgens de krant zijn ze weer helemaal terug’.
‘Aan de andere kant van het dorp wel, maar hier nog niet’.
‘En dus ook geen vossen nog?’.
‘Nee, toen de konijnen uitstierven zijn de vossen de polder in getrokken. Maar daar ginder zijn de vossen ook weer terug. Ze zwerven alweer door het dorp’. Hij steunde breeduit op zijn schoffel. ‘Op de boulevard vreten ze de vuilnisbakken leeg. Ze hebben jongen nu en dus zijn ze overal op zoek naar eten’. Zijn ogen volgden het toompje kippen dat zuinig achteruit schraapte in de mulle grond. Vossenvoer, dachten ze allebei.
‘Als ze weer deze kant opkomen, moet je ze ophokken?’, zei Jack. ‘En tegenwoordig ook als er vreemde vogels overvliegen’.
‘Ophokken?’, herhaalde de tuinder langzaam. Hij proefde het woord en keek erbij alsof hij het weer wilde uitspugen.
Ze zwegen een moment. De wind rukte aan zijn gehoorapparaat, want tenslotte zei hij: ‘Het stormt in mijn oren’. Hij hield een hand voor zijn oor om het lawaai tegen te houden.
‘Ik ga weer eens door’, riep Jack tegen de wind in. ‘Nog een prettige dag’.
‘Kom nog es terug?’, zei de tuinder. ‘Er zijn altijd verse eieren’.