Hier ligt Jack

Jac. de Feyter

Op de vraag: “Wat-wil-je-worden?”, heeft hij z’n hele leven geen antwoord geweten. Nou ja, vroeger wilde hij graag een beroemd schrijver worden. Maar schrijven is feitelijk geen vak, weet hij nu. Dat doe omdat je het niet kunt laten. De meeste schrijvers die van hun hobby een beroep weten te maken produceren in hun hele leven slechts een enkel boek en al hunnie andere boeken en bezigheden breien ze daar omheen… Dat heet dan hun vak! Goed.
Hijzelf heeft altijd beter geweten wat hij NIET wilde- dan wat hij wel wilde worden. Zo wilde hij bijvoorbeeld niet iets worden wat hij z’n hele leven zou moeten blijven doen… En vooral nooit, nee nooit, mag hij iemand worden die al op maandag begint uit te zien naar het week-end, of iemand die direct na de vacantie alweer de volgende begint te plannen.
Dit nooit: er jonger uit willen zien dan je eigenlijke leeftijd door je â??coolâ?? te kleden . En vooral wil hij geen sportieveling worden. Hij is aktief genoeg van zichzelf en dus geen gejog, golf, tennis, fitness of anderszins vermoeiend gedoe. Ook wil hij niet iemand worden die voor alles een korting-kaart gebruikt en op de hoogte is van alle financiele voordelen aangaande het 55-plusserschap. Bij de kapper staat hij erop de volle mep te betalen voor het knippen van die paar haren die hem nog resten. Niks senioren-korting
Hij heeft zichzelf beloofd dat hij niet iemand zal worden die meer van apparaten houdt dan van mensen, zo iemand die alles van auto’s, computers en mobiele telefonie afweet maar de gebruiksaanwijzing van z’n medemens ongelezen laat.
Alstublieft, schiet hem af, stop hem in een kamp of schakel hem op een andere manier uit zodra hij begint te zeuren over kwalen en pijntjes. En als-ie dan op het eind van zijn lieve-leven er stilletjes tussenuit geknepen is en begraven wordt op het kleine kerkhof van Driehuizen (N.H.) met uitzicht op de Eilandpolder, schijf dan met een spuitbus op zijn grafsteen: Hier ligt Jack! Dit is z’n vak.

Kwaaie stoffen

Jack’s moeder woont al enige jaren in het Hoefplan in een soort modern bejaardenoord van waaruit ze de buurt per rollator onveilig maakt. Ze is inmiddels 92 en vast van plan 100 te worden. Over elke ziekte heeft ze een mening, alsof ze hem daarmee buiten de deur kan houden. Kwalen; het is haar favoriete onderwerp.
Komt hij afgelopen zondag (moederdag) binnen met een lichte kuch, ze veert meteen op. ‘Dat klinkt niet best?, begint ze.
‘Och’, probeert hij haar bezorgdheid in te perken, ‘tis niks’.
‘Je zou moeten stomen boven de hete kamille’, adviseert ze.
‘Tis niks’, herhaalt hij luchtig. Hij voelt een tweede kuchje kriebelen, maar slikt het haastig weg.
‘Ik heb anders nog wel wat hoestsiroop’, biedt ze aan.
‘Toch niet diezelfde siroop van laatst!’, roept hij met lichte schrik.
‘Daar was niks mis mee’, zegt ze venijnig. ‘Ik kan het toch ook niet helpen dat het ging gisten’.
‘Honing heeft de neiging te gaan gisten’, zegt hij nors. Hij denkt weer aan de ravage die haar zelf gebrouwen mengsel, dropwater met honing, in haar slaapkamer teweeg bracht. Het brouwsel was gaan gisten en de fles spatte uit elkaar, de hele slaapkamer van onder tot boven besprenkelend met dropwater. ‘Laat zo’n fles voortaan openstaan’, zegt hij nog maar eens ten overvloede en kucht weer zonder er bij na te denken.
‘Het zit goed vast bij je’, merkt ze op.
‘Er zit niks vast bij me’, windt hij zich op. ‘Ik heb gewoon de kriebel in m’n keel, dat is alles’.
‘Je zou ’s nachts een ui onder je kussen moeten leggen’, adviseert ze door. ‘En aardappelschillen in een theedoek vouwen en die dan op je borstkas leggen om alle kwaaie stoffen uit je te trekken…’
‘Aan mijn kwade stoffen valt niks meer te verhelpen’, onderbreekt hij haar. ‘En zeker niet als jij zo doorgaat’.
‘Je zou meer naar je moeder moeten luisteren’, gaat ze door, want ze heeft graag het laatste woord.

Bevrijding

‘Alles bij elkaar is hij een jaar ziek geweest’
Beide dames zaten op het terras in het Alkmaarse zonnetje. Het was 5 mei.
‘Ja, dat hoorde ik ook. Ik kwam hem tegen op Koninginnedag. Hij liep op het Ritsevoort zo’n beetje afscheid te nemen van iedereen die hij kende. ‘Hoe gaat het met je?, vroeg ik nog. ‘Ik ga dood’, zei-ie toen’
‘Ik wist ’t vrij snel. Het was z’n prostaat. Helemaal uitgezaaid…’ Ze maakte haar schoen los van haar voet en liet hem aan haar tenen bungelen.
‘Sprak je hem nog wel eens?’
‘Nee, eigenlijk de laatste tijd niet meer. In ieder geval niet meer sinds dat gedoe’
‘Jullie waren gebrouilleerd?’
‘Nou gebrouilleerd… Ik sprak hem gewoon niet meer. Geen behoefte aan. Maar toen ik hoorde van zijn ziekte schrok ik wel’ De schoen wipte nu wild op en neer. ‘Nog meer dan anders drong het tot me door hoeveel ik meegemaakt heb met die man. Daar zou je een avondvullend programma over kunnen maken…’
‘Achtenvijftig’. Ze schopte tegen de schoen naast haar die daardoor op de grond viel en zei: ‘Hou es op met dat gewiebel…’
‘Nou zeg…’ schrok haar vriendin op en vervolgde, ‘hij was net zo oud als ik. Ik heb hem nu al twee dagen overleefd en bij alles wat ik zie moet ik daar aan denken. Dat zie jij nu niet meer, denk ik dan…’
‘Je hebt hem nooit opgezocht toen hij zo ziek was?’
‘Hij had mij ook kunnen opzoeken, of niet soms…?’ Met haar voet harkte ze de schoen weer naar zich toe.
‘Hij was doodziek’, riep de ander uit. ‘Daaraan wordt toch alles ondergeschikt?’
‘Nee, dat vind ik niet. Het was vreselijk voor hem dat-ie zo ziek werd. Dat gun je niemand. En verder basta. Ik heb hem letterlijk en figuurlijk overleefd. En geloof me, dat is een hele bevrijding, want ik heb lang gedacht dat ik niet zonder hem kon’ Ze schopte nu ook haar andere schoen uit. ‘Het blijkt dat ik dus wel zonder hem verder kan’, zei ze nog en wreef haar bevrijde voeten tevreden over elkaar.

Oorlog & Vrede

De oorlog is voorbij. In historische zin zal het altijd een keerpunt blijven in onze geschiedenis; het begin van de Europese eenwording. Uitvergroot was het in zekere zin een burgeroorlog met alle verschrikkingen van dien; verraad, rassenzuiveringen en massamoord. Bedenk iets ergs en het gebeurde… en dan in het kwadraat.
Maar toch, de oorlog is voorbij en als we niet willen dat zoiets nog eens gebeurt kunnen we ons maar beter druk maken over het onrecht van nu.
Laatst las hij een klein berichtje in de kantlijn van de krant, zo’n onbeduidend plekje waar je al gauw overheen kijkt. Daarin werd melding gemaakt van het feit dat Israelische soldaten een Palestijns jochie hadden vastgebonden op de motorkap van hun jeep om zichzelf tegen stenengooiers te beschermen. Op zich is dat vastbinden al erg genoeg, zou je denken. Maar nee, want wat ze gedaan hadden was sinds 2002 bij wet verboden en dus waren ze in overtreding. Stel je voor, er moet een wet gemaakt worden om het vastbinden van kinderen op een motorkap te verbieden… Daar heeft ieder weldenkend mens geen wet voor nodig, zou je hopen.
Hij beseft dat dit een gevoelig onderwerp is, want voor je het weet schrijf je zomaar een ‘anti-Israël’ stukje. Misschien pleit het dan in zijn voordeel dat zijn vader en moeder in de oorlog logies hebben gegeven aan twee joodse dames. Dat deden ze omdat zijn ouders gelovige mensen waren en omdat ze vonden dat je niet alleen op zondag in God moet geloven.
Dat van die onderduikers heeft-ie niet maar even verzonnen om stoer te doen, want dat schijnt namelijk ook te gebeuren. Er leven nog altijd mensen (maar de spoeling wordt dun) in zijn geboortedorp Zuid Scharwoude die deze feiten kunnen bevestigen. En zijn moeder, toch al zenuwachtig van inborst, heeft aan die oorlogsperiode allerlei vreemde angsten overgehouden. Als zijn ouders toen waren gesnapt was de hele familie afgevoerd en was dit stukje, waarin hij het wil opnemen voor een Palestijns jochie, nooit geschreven. Toch bizar…

Gang-bang

Eindelijk lente.. Als hij samen met zijn dochter terugfietst van het tuincentrum -plantjes in de fietstassen- wijst hij haar op de eerste tekenen. ‘Kijk, de takken aan de bomen worden dikker. Zie je wel’ En: ‘Dit is een bloeiende meidoorn. Ruik je ‘em’ De narcissen in de berm van de weg buigen diep door in de straffe wind. Het weer is fris, de hemel helder.
Op de terugweg hebben ze wind tegen. Ze besluiten binnendoor te gaan en het pontje te nemen. In het water van het Noordhollands Kanaal, pal naast de boot, speelt zich de groepsverkrachting van een eend af. Aan haar verendek te zien -nog licht van kleur- is ze een ‘eerstejaars’ en ze weet zich geen raad met zoveel aandacht en dan ook nog zo hardhandig. Terwijl ze haar met twee tegelijk bestijgen, wordt ze in haar hals gepikt en onder water geduwd. Daar is ze dan een moment veilig, maar als ze even verder weer opduikt, strijkt de hele groep weer op haar neer en hervatten ze de gang-bang. Om op te vliegen slaat ze hard met haar vleugels op het water, maar het lukt haar niet om los te komen van haar belagers. Ze begint uitputtingsverschijnselen te vertonen en haar vleugelslag wordt trager.
Op het pontje wordt dit heftige tafereel door de toeschouwers van commentaar voorzien. Globaal genomen zijn er twee kampen. Het manlijke kamp voelt zich opgelaten en het vrouwelijke is verontwaardigd. ‘Het Is lente’, zegt een meneer, alsof hij zichzelf moet verklaren. ‘Arm beest’, antwoordt zijn vrouw met lichte bitterheid in haar stem.
‘Wat zijn die eenden aan het doen, pap?’, probeert zijn dochter de stemming te peilen.
‘Wil je dat echt weten?’
‘Ja’
‘Die zijn met z’n allen aan het neuken’, zegt hij.
‘Pappaa’, schrikt zijn dochter op. Ze kijkt gegeneerd om zich heen of iemand gehoord heeft wat hij zei. ‘Dat zeg je toch niet’ sist ze.
‘Je vroeg het toch’
‘Ssstt’. Ze doet een stap opzij om niet bij hem te horen.
Laag over het water en in een soepele glijvlucht komt een nieuwe woerd aanscheren om zich in het opgewonden gewoel te mengen. Op zijn beurt wachten doet-ie niet.