Akkefietje

Het was maandagochtend in onze Geliefde Stad en heerlijk rustig. Het leven was nog niet echt op gang gekomen.
Jack had zijn auto op de Paardenmarkt gestald en wachtte, luisterend naar de radio omdat hij iets te vroeg was, totdat zijn afspraak bij de Rabobank zou plaatsvinden. Laat het half tien geweest zijn en op het hele parkeerterrein stond niet meer dan een auto of vijf, verder was het plein akelig leeg.
Om de hoek van het bankgebouw verschenen nu twee parkeerwachters. Ze hadden zojuist het politieburo verlaten en zagen dat een van de auto’s -misschien stond hij er nog van de vorige avond- geen parkeerkaartje had.
Jack, die een mooi uitzicht had op de situatie, ontwaarde nu aan de andere kant van het terrein een man van een jaar of dertig; jas open, handen in zijn zakken. Halverwege z’n gangetje boog hij af richting parkeerovertreding. ‘Moet dat nou?’ bemoeide hij zich er tegenaan.
De beambten gingen onverstoorbaar door met intoetsen en opnoteren. De bemoeial ging nu breeduit voor de overtreding staan en herhaalde luid: ‘Ik zei: moet dat nou?’
De schrijvende parkeerwachter zei iets terug wat Jack niet verstond maar wat de bemoeial vreselijk opwond. ‘Het hele plein is leeg’, riep hij breed gebarend, terwijl zijn handen nog steeds in zijn jaszakken zaten.
Weer werd er iets onverstaanbaars teruggezegd, iets wat de bemoeizuchtige man nu tot razernij dreef. ‘Het hele plein is leeg’, schreeuwde hij weer. ‘Deze auto ontneemt niemand een plek door hier te staan. Waar zit jullie verstand…?’, tierde hij door. Nu haalde hij zijn handen uit zijn zakken en rukte in blinde drift de pet van het hoofd van de noterende beambte en probeerde die uit te wringen alsof het een dweil was, vervolgens smeet hij het hoofddeksel op de grond en begon er met twee benen tegelijk op te stampvoeten. Beide geüniformeerde personen stonden er beteuterd bij te kijken.
Nadat het heerschap zijn krijgsdans beéindigd had, raapte hij de verkreukelde pet van de grond, liep op een afvalbak af en smeet hem erin. ‘Leer een vak’, beet hij het beteuterde tweetal toe en liep vervolgens wild met zijn armen zwaaiend, die hij weer opgeborgen had in zijn jas, scheldend van hen weg.
Toen hij uit het zicht was probeerden de aangeslagen parkeerwachters nog geruime tijd de pet weer op te vissen uit de afvalbak, maar de bodem was te diep en uiteindelijk keerden ze, de maandagochtendrust eerbiedigend, terug naar het buro. Het was hun eerste akkefietje en ze hadden nog een volle week te gaan.

Lekker makkelijk

‘Ach, dat mag je wel weten’, zei hij nonchalant.
‘Kijk maar uit, straks schrijf ik ’t nog op?’, waarschuwde Jack.
‘Ach, je mag ’t wel weten’, herhaalde hij. Z’n blik dwaalde over het landschap om hem heen. Ze reden richting Egmond en ter hoogte van de bunkers vroeg hij: ‘Wat gebeurt er eigenlijk met die bunkers?’
‘Dus het was je eigen broer?, hield Jack hem bij de les.
‘Ja, die dooie lul ging er uiteindelijk met m’n vrouw vandoor’. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ach, tis allemaal zo lang geleden’
‘Dus je ziet hem nooit meer, mag ik aannemen?’
‘Jawel hoor’, zei hij luchtig. ‘Net na die breuk even niet, maar al heel gauw weer wel. Ik heb een dochter bij haar, dus ja… We trokken altijd met z’n drietjes op. Alles deden we samen. Totdat die twee zonodig voor zichzelf moesten beginnen’. Hij maakte een wegwerp gebaar door zijn hand even van het stuur te halen. ‘Tis allemaal zo lang geleden’
‘En je dochter, zie je die nog wel eens?’, hield Jack de score bij.
‘Jazeker. En m’n broer heeft ook een dochter bij haar. Die meiden zijn nu eind twintig en de allerbeste vriendinnen. Eigenlijk zijn we allemaal weer vrienden. En mijn huidige vrouw hoort daar ook bij’
‘A family affair’, monkelde Jack.
‘Alles is beter zo’, zei hij. Hij herschikte zijn achteruitkijkspiegel als om het verleden bij te stellen. ‘Ik was weer vrij man en mijn broer was goed voor mijn dochter. Dat heb ik hem ook gezegd toen. Ik zei, ik vind alles best, maar ik breek je benen als je mijn dochter slecht behandelt. Maar dat deed-ie niet, dus…’
‘Ik weet niet hoe ik zou reageren’, bedacht Jack zich hardop. ‘Je eigen broer…’
‘Boos worden heeft geen zin’, wist de ander. En over geld heb ik ook geen soesa gemaakt’. De zon scheen links en rechts over de weilanden. De weg was helemaal voor henzelf. ‘Zal ik je eens wat zeggen’ In de verte doemde de Egmondse bebouwing op. ‘Mijn broer is een heel huiselijk type. Altijd geweest. Het liefst doet hij klusjes in en om het huis. Ze bezitten een stulp in Frankrijk en daar is hij ook altijd in de weer. En wij, mijn huidige vrouw en ik, kunnen er ook steeds terecht. En daar hoeven wij dan niks anders te doen dat te genieten’ Het eerste stoplicht zat meteen mee en het tweede ook al. ‘Tis echt heel makkelijk, zo’n broer’, besloot hij.

Alwin (slot

Omdat hij Alwin niet aan werk kan helpen, deels omdat je een illegaal niet mag laten werken (maar ja, je mag ook niet tegen een boom plassen) en voor het andere deel omdat hij geen werk voor hem heeft, nodigt Jack z’n vriend uit om bij hem thuis een gerecht van Burundi te komen koken: Chapati Stew voor 4 personen. Alwin laat hem het volgende te kopen:
1 pond kipfilet 2 volle eetlepels pindakaas,
1 klein spitskooltje 1 tablet kippenbouillon,
1 ui 1 tl. lepel kerrie,
4 tomaten 1 teen knoflook,
1 rode paprika Alle ingrediënten om 2 middelgrote aardappelen pannenkoeken te maken
Als hij op de afgesproken zondagmiddag z’n kookkunsten komt vertonen heerst er vanaf het begin een Afrikaanse sfeer in de keuken, alles gebeurt in een tempo waar onze jachtige wereld geen tijd voor heeft. Op z’n dooie akkertje begint-ie een aantal dunne pannekoeken te bakken waarbij het hele aanrechtblad onder de meel komt te zitten. Jack’s dochter kijkt bewonderend tegen hem op; één, hij komt uit een exotisch land en twee, hij mag wat zij niet mag en dat is rotzooi maken in de keuken. Ze staat naast hem en kijkt toe hoe hij de kipfilet in blokken snijdt en aanbakt in wat olie. Vervolgens snijdt hij het kooltje in niet te grote stukken en bakt die ook aan, samen met de gesnipperde ui, reepjes paprika en het fijngesneden knoflookteentje. Daarna worden de tomaten ontveld door ze even in kokend water te dompelen en ook die worden fijn gesneden, evenals de aardappels. Dan gaat alles in een grote pan. Er wordt wat water toegevoegd, plus het kippenbouillonblokje en de kerrie. Dan laat hij de inhoud van de pan zachtjes pruttelen totdat de aardappels (afkokers) stukgekookt zijn voor een bindend effect. Tot slot, als de ‘stew’ licht is ingedikt, voegt hij er de pindakaas aan toe. Even doorwarmen en op tafel er mee. En dan begint wat zijn dochter betreft het allerleukste; ze mag met haar handen eten. Ze schept wat van de stew op haar bord, trekt een stuk van de warme pannekoek af en daarmee pakt ze haar eten op en stopt alles in haar mond. Niks lange tanden of ‘ik- lust -’t -niet.

Alwin (2)

In het vorige stukje maakte Jack kennis met Alwin; zwart als de nacht en zeer illegaal. En naarmate hij hem beter leert kennen -af en toe spreken ze eens wat af- sijpelt er informatie door over het hoe en waarom van zijn komst naar ons kikkerland en naar ons stadje in het bijzonder. Het duurt lang voordat Alwin hem vertrouwt en al die tijd lacht-ie veelvuldig zijn blinkende gebit bloot, blijven zijn ogen waakzaam en laat hij vooral niet het achterste van zijn tong zien. Hij bedelt om werk, maar nooit om geld. Af en toe wordt hij ingehuurd door een onderaannemer, die hem meeneemt naar Amsterdam waar hij voor 5 euro per uur de hele dag containers moet vullen met sloopafval. En dan is het nog maar de vraag of hij uitbetaald krijgt. Slapen doet-ie met zeven anderen in een of ander rothok zonder kachel waar ze elkaar warm houden.
Telkens als Jack naar Alwin luistert kan hij zijn oren niet geloven en voelt hij zich onnoemelijk rijk. Hij bekijkt Alwin alsof hij voor de televisie zit. Maar Alwin’s verhaal is hartstikke echt en speelt zich af op nog geen kilometer van zijn eigen comfortabele leventje in zijn eigenste Alkmaar.
‘Wat doe je dan als je baas geen werk heeft voor je?, vraagt hij Alwin.
‘Dan wacht ik op een oproep’, zegt-ie. ‘Hij kan me ineens nodig hebben’. Hij kijkt Jack neutraal aan alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is en dat is het blijkbaar ook. ‘Op een dag had hij me plotseling nodig’, vervolgt Alwin. ‘Ik ging meteen naar hem toe en had zo gauw geen tijd om eten mee te nemen. M’n baas gaf z’n vrouw opdracht om wat brood voor me klaar te maken, maar daar had ze geen zin in en ze kregen vreselijk ruzie om die boterhammen van mij’ Jack begrijpt dat Alwin klaar is voor een ontboezeming, want hij heeft hem nog nooit zoveel woorden achter elkaar horen zeggen. ‘En toen?, vraagt-ie. ‘Uiteindelijk deed ze scheldend wat hij haar opdroeg’, vervolgt hij vermoeid. ‘Maar ik kon nog net zien hoe ze in de keuken de klaargemaakte boterhammen weer opende en er een voor een in spuugde’. Hij veert op, lacht met zijn mond, breed en wit, maar de rest van zijn gezicht doet daar niet aan mee.
Wordt vervolgd