Graf (1)

Al negen jaar lang is 27 januari de dag waarop zijn vader overleed en altijd bezoekt Jack rond die dag het graf op de Algemene Begraafplaats aan de Westerweg. Hij zet er een bloemetje neer, kortwiekt de plantjes en veegt de steen schoon. Dat laatste doet hij ook als er niks te vegen en te kortwieken valt. Maar ja, wat is het leven zonder rituelen. Daarna gaat hij voor de steen staan. ‘Geborgen in Gods hand’, staat er op te lezen. Altijd praat hij tegen zijn vader als hij daar staat. ‘Hoe is ‘t, pa?, vraagt hij.
Hij krijgt geen antwoord terug want zijn vader is immers Geborgen in Gods hand en dat is heel jammer, want ze waren altijd goed in het voeren van een gesprek. Daarom praat hij nu zelf verder. ‘Het is vandaag geen onaardige dag’, zegt hij tegen de steen. Dat was ook een van zijn vaders laatste zinnen. Op die bewuste zondagmiddag dat zijn vader het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, sloeg hij om een uur of vier nog een keer zijn ogen op, wendde zijn vermoeide blik naar buiten en zei: ‘Het is vandaag geen onaardige dag?’. Zo kon zijn vader de meest diepzinnige gesprekken beginnen. Als een soort openingetje…
Jaren geleden was z’n vader op een verjaarspartij ook eens zo begonnen tegen zijn buurman. ‘Moeten we het nou over het weer hebben?’, had die getergd uitgeroepen. Waarop zijn vader bedaard antwoordde: ‘Ach, waarom niet. Dan kunnen we het straks altijd nog over iets anders hebben…’
‘Nou goed pa, het is vandaag dus geen onaardige dag’, opende hij verder. De bomen om je graf zijn nog kaal, het is onbewolkt en er staat een lichte bries vanuit het noordoosten. Het is momenteel een graad of twee en de dagen lengen alweer. Met een beetje goeie zin is het net alsof de winter op z’n retour is. En dan had jij gezegd: ‘Ho ho, er kan anders nog een boel narigheid komen’, want je hield met alles rekening, waardoor het meestal meeviel en daar was je dan weer erg opgetogen over. En pa, het is vreselijk jammer dat we dit gesprek niet met z’n tweén kunnen voortzetten. Ik heb je nog zoveel te vertellen…’
(Wordt vervolgd)

Geest

Het straatnaambordje zit vast aan de eeuwenoude muur bij het ’t Hofje van Foreest. Als Jack er langs loopt kijkt hij recht in de laaghangende zon. Het weer is wild; zo regent of hagelt het en dan weer schijnt de zon. Voor hem uit loopt een groepje mensen onder leiding van een stadsgids. Ze blijven staan op de hoek van de Kanisstraat en hij vangt een riedel op die de gids op zijn groep loslaat. Het gaat over vroeger en dan nog eens over vroeger. Soms denkt hij wel eens dat hier tien verschillende gidsen ook tien verschillende verhalen zouden afdraaien terwijl het toch één en dezelfde stad is. Iedere gids gaat met z’n eigen verhaal van huis en hijzelf heeft ook een verhaal over dit straatje, hoewel dat niet zo heel ver teruggaat in de tijd. Vroeger heeft hij hier namelijk jarenlang gewerkt, bij de firma Anema, later Rijs, als magazijnmedewerker. Magazijnknecht heette dat toen nog gewoon. Op de plek waar ooit het kantoor gestaan heeft, is nu saaie nieuwbouw neergezet, ervoor een nieuwbouwpleintje compleet met nieuwbouwperkje. Het magazijn waar hij werkte moet zijn geweest op nummer 40 en 42. Beide pakhuisjes zijn omgetoverd tot woonhuis.
Aan de overkant, op nummer 45, bevindt zich een Kernwapenvrij Verklaarde Woning. Dat zegt een postertje achter het raam van de voordeur. Het is grappig te bedenken hoe de grote-wereld politiek dit slaperige autovrije straatje is binnengedrongen.
Dat gebeurde al eens eerder, herinnert hij zich nu, nadat hij van magazijnknecht was opgeklommen tot een van hun vertegenwoordigers. De vrijdagavond, vaste prik, vervoegden ze zich allemaal aan de zaak voor een evaluatie van de afgelopen week. Op 22 november 1963, één van die vrijdagen, werd het hoofd van de commerciële afdeling, meneer Seinen, midden in de bespreking gebeld door zijn vrouw met de mededeling dat zojuist de president van de Verenigde Staten, de heer J.F. Kennedy te Dallas, Texas, was neergeschoten en dat voor zijn leven werd gevreesd. Voor de jonge Jack maakte de Geest in Alkmaar toen ineens deel uit van het wereldtoneel.

Het verlengde Zeglis

Bijna heel Alkmaar is inmiddels omgespit en aangeharkt. Godzijdank zijn er nog een paar plekjes vergeten en een van die plekjes is het ‘verlengde’ Zeglis.
Die maandagmorgen dat Jack er gewapend met een kladblok en een ‘schrijffie’ (hij voelt zich een halve landschapschilder) naar toe gaat om zo het een en ander te noteren, is het koud maar droog. Er heerst een schrale oostelijke stroming, vrieslucht die je lippen droogtrekt en doet barsten als je op het idee komt je mondhoeken uit elkaar te trekken. Niet lachen dus, is het devies. Er valt ook niks te lachen trouwens, want het weer is een serieuze zaak.
Hij noteert het volgende: op een grasveld naast het pad staat een oude bakfiets vol met schroot, ernaast op een tegelplaatsje ligt een stapel overgebleven houten kerstboomkruisen, voor elk huisje dat nog een kruisje zoekt. Een kip kakelt over haar laatst gelegde ei. Links liggen bewoonde schepen in een rij. Ervoor op de wal, soms afgedekt en soms niet eens, zijn grote voorraden brandhout aangelegd. Alles gaat hier over vaartuigen. Ook op de kant liggen bootjes, omgekeerd of met een zeil erover. Daartussen staan containers die als schuurtje dienen. Op de laatste container aan het einde van het pad staat het woord ‘smederij’ te lezen en alsof dat nog niet duidelijk genoeg is hebben ze een bankschroef als decoratie tegen de zijkant gelast. Uit een houten gebouwtje klinkt gekoer van duiven. Op een andere container staat de onbegrijpelijke tekst ‘Noorderhaaks’. Een roestig scheepsanker ligt bevroren in de berm.
Tussen al die nuttige attributen staat hier en daar wat verloren kunst: poppetjes, bustes en losse koppen. Huisvlijt in hout. Bij het schip ‘Ziet Op Uzelf’- Alkmaar stopt hij even. De hele familie staat hier vermeld op het naambordje: vader, moeder, de kinderen, de kat en de hamster, allemaal wonen ze hier en dat willen ze weten ook.
Het pad is doodlopend en in tegenovergestelde richting, diep in zijn kraag gedoken, neemt hij alles nog een keer in zich op. Een uitgebrande moterfiets staat souverein in het gras, noteert hij als laatste.
Hij gaat u niet uitleggen waar het ‘verlengde’ Zeglis te vinden is, want hij hoopt dat dit onsoortige stukje Alkmaar voor altijd vergeten zal blijven. En dit geschreven stukje?, ook maar gauw vergeten dus…